Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 maart 2016.
16 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen de moeder en de vader over het gezag en de zorgregeling voor hun dochter na beëindiging van hun relatie. De rechtbank Noord-Nederland had op 9 maart 2016 de moeder vervangende toestemming verleend om met de dochter te verhuizen en de zorgverdeling vastgesteld, terwijl het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling was afgewezen.
De vader stelde tegen deze beschikkingen hoger beroep in bij het hof Arnhem-Leeuwarden, maar deed dit zonder dat het beroepschrift door een advocaat was ondertekend. Het hof stelde de vader in de gelegenheid om dit verzuim te herstellen door binnen een gestelde termijn alsnog het beroepschrift door een advocaat te laten indienen. De vader liet op de laatste dag van de termijn beroepschriften indienen door zijn advocaat, maar deze waren niet identiek aan het oorspronkelijk ingediende beroepschrift.
De Hoge Raad oordeelt dat het herstel van het verzuim slechts mogelijk is door het oorspronkelijk ingediende beroepschrift alsnog door een advocaat te laten ondertekenen en indienen. Omdat dit niet is gebeurd, had het hof de vader niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn hoger beroep. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verklaart de vader niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens niet correct herstel van het verzuim van het niet door een advocaat ingediend beroepschrift.