ECLI:NL:HR:2018:2400

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
18/01240
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Artikel 81 RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring cassatie tegen naheffingsaanslag overdrachtsbelasting

Belanghebbende, een N.V. gevestigd te Curaçao, stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het gerechtshof Noord-Holland van 9 februari 2018, waarin een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting was bevestigd. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en de Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de door belanghebbende aangevoerde middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen aan de wederpartij, omdat geen gronden voor veroordeling in proceskosten aanwezig waren. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

21 december 2018
Nr. 18/01240
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] N.V.te
[Z],Curaçao (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 9 februari 2018, nr. HAA 15/5067, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 oktober 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1173).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.