Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2007/167 en HR
BNB2011/219) bieden de belanghebbende volgende de Rechtbank evenmin soelaas, omdat ook bij doorkijken geen sprake is van een gemeenschap.
BNB1995/251 blijkt dat de wetgever de artt. 7 en 12 Wet BRV heeft gebaseerd op civielrechtelijke verdelings- en gemeenschapsbegrippen. Volgens art. 3:166 BW Pro is een gemeenschap aanwezig wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Omdat de belanghebbende niet gezamenlijk, maar exclusief gerechtigd was tot de aandelen [K] en [J], was mijns inziens geen sprake van een gemeenschap van aandelen en dus ook niet van een verdeling daarvan. De artt. 7 en 12 Wet BRV zijn dan niet van toepassing. Middel 1 faalt in zoverre. De belanghebbende stelt ook dat een economische benadering gevolgd moet worden en bedoelt daar kennelijk mee dat door de aandelen heen gekeken moet worden naar het achterliggende vastgoed. Daarmee is zij aan het doorkijken, welke benadering conceptueel dezelfde is als die in middel 2.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
BNB2007/167 [2] en HR
BNB2011/219 [3] ). Over de getallen en het rekenwerk bestaat geen geschil.
primairop grond van art. 4(1)(a) Wet BRV, de parlementaire geschiedenis en een economische benadering van de Wet BRV dat de intrafamiliale
reshufflevan de onroerende-zaakportefeuilles kan gelden als een verdeling van een gemeenschap zoals bedoeld in de artt. 7 en 12 Wet BRV.
Subsidiairstelt zij dat de doorkijkarresten inhouden dat verkrijging van aandelen in een vastgoedlichaam niet zwaarder belast behoort te worden dan verkrijging van het vastgoed zelf. Op grond van de doorkijkarresten moet de juridische structuur worden weggedacht, waardoor een gezamenlijke eigendom zichtbaar wordt waarop de artt. 7 en 12 Wet BRV van toepassing zijn. Dit leidt tot vermindering van de heffingsgrondslag met de waarde van hetgeen de belanghebbende, de bovenliggende vennootschap(pen) dan wel de uiteindelijk gerechtigden in totaliteit indirect aan onroerende zaken bezaten vóór haar verkrijging van de aandelen [K].
én[J] (zie de structuur in 2.3). In zoverre moet door de juridische hulzen [K] en [J] heen worden gekeken. Dit brengt mee dat “hetgeen bij een verdeling wordt toegedeeld” aan de belanghebbende (volgens de belanghebbende: alle aandelen [K]), “wordt geacht voor het geheel te zijn verkregen” (art. 7 Wet Pro BRV) en dat de maatstaf van heffing wordt bepaald door van de waarde van dat geheel (€ 18.700.000 woningen plus € 92.830.000 niet-woningen) af te trekken de waarde van het belang dat de belanghebbende reeds had in dat geheel. Dat laatste belang bestond uit 33,33% van de onroerende zaken van [J] (€ 17.590.875 woningen en € 28.271.125 niet-woningen)
én236/670ste of 35,22% van de onroerende zaken van [K] (€ 6.586.140 woningen en € 32.694.726 niet-woningen). Dan resulteert een maatstaf van heffing ad (€ 18.700.000 - € 17.590.875 - € 6.586.140 =) -/- € 5.477.015 aan woningen en (€ 92.830.000 - € 28.271.125 - € 32.694.726 =) € 31.864.149 aan niet-woningen. De belanghebbende stelt dat het saldo van die twee bedragen (/- € 5.477.014 + € 31.864.149 =) € 26.387.134 als verkrijging met 6% moet worden belast, zodat een overdrachtsbelastingbedrag van € 1.582.968 resulteert, maar zij ziet in dat verkrijging van woningen met een negatieve waarde moeilijk te verklaren is en kan desnoods instemmen met buiten beschouwing laten van de door haar berekende negatieve verkrijging van woningen. Dat zou resulteren in 6% overdrachtsbelasting over € 31.864.149 is € 1.911.632. Samengevat:
in casugeen sprake kan zijn van een verdeling van een gemeenschap, dus ook niet van toepassing van de artt. 7 en 12 Wet BRV.
NL Fiscaal2018/499:
Geschil 1: Kan een uitruil van aandelen worden aangemerkt als een verdeling?
3.Het beroep in cassatie
junctode doorkijkarresten en/of art. 8:77 Awb Pro geschonden met haar oordelen dat (i) het via de gemeenschappelijke vennootschappelijke structuur met al haar kruisverbanden gehouden indirecte belang in onroerende zaken niet als een gemeenschap kan worden aangemerkt; (ii) dat de belanghebbende ook bij rechtstreekse verkrijging van de onroerende zaken overdrachtsbelasting zou zijn verschuldigd, en (iii) dat de doorkijkarresten weliswaar ook van toepassing kunnen zijn op de litigieuze vermindering van de heffingsmaatstaf, maar dat gelet op de duiding van het complex van vennootschappen aan het begin van de rechtshandelingen en de bereikte eindstructuur art. 15(1)(b) Wet BRV toepassing mist. Bij verdeling van de belangen in de twee ozr’s zou in geval van rechtstreeks gehouden onroerende zaken de grondslag wél ex artt. 7 en 12 Wet BRV zijn verminderd, zodat de doorkijkarresten meebrengen dat die vermindering ook geldt bij de verdeling van de aandelen in de ozr’s. In het licht van het gegeven dat het in dit geding gaat om de artt. 7, 10 en 12 Wet BRV is de uitsluiting van toepassing van art.15(1)(b) Wet BRV door de Rechtbank overigens onbegrijpelijk.
BNB1995/251, [12] en dat als de wetgever geen civielrechtelijke uitleg zou hebben voorgestaan, hij aanwijzingen in die richting zou hebben gegeven. Hij concludeert dat, nu civielrechtelijk geen sprake is van een gemeenschap, het eerste cassatiemiddel faalt.
4.Ad middel 1: ‘verdeling’ van een ‘gemeenschap’?
De wet
Scheiding
scheidinghandhaaft het ontwerp de thans geldende regeling. In het algemeen zullen verkrijgingen van onroerende zaken krachtens scheiding derhalve niet aan overdrachtsbelasting zijn onderworpen. Indien de onverdeeldheid evenwel is ontstaan door overdracht (waaronder inbreng in een vennootschap) kan de scheiding tot een heffing van overdrachtsbelasting leiden. De huidige Registratiewet 1917 bevat de bepaling dat het recht van overdracht niet wordt geheven op akten van verdeling van marktgronden. In het ontwerp is deze bepaling niet overgenomen, omdat dergelijke verdelingen thans praktisch niet meer voorkomen.
BNB1995/251 [14] heeft u geoordeeld dat de Wet BRV uitgaat van een civielrechtelijk scheidingsbegrip en dat art. 12(1) Wet BRV niet van toepassing is als slechts de deelgerechtigdheid in onroerende za(a)k(en) verandert:
4 Definitie van gemeenschap
Gemeenschap is aanwezig wanneer een goed aan onderscheiden deelgenoten toekomt.’ Bij de parlementaire behandeling werd door enige leden van de Vaste Commissie voor Justitie, zie
Parl. Gesch. BW Boek 31981, p. 578, bovenaan, de mening geuit:
Parl. Gesch. BW Boek 31981, p. 578, derde volledige alinea.
gezamenlijktoe? De uitdrukking ‘
deelgenoten’ houdt in dat de goederen aan hen toebehoren, ieder voor zijn deel. Doch het gaat erom of de goederen aan hen
gezamenlijktoebehoren.
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 578, verwijst (…) naar het slot van lid 1 en de aanhef van lid 2 van art. 6:15 BW Pro, waarin wij lezen dat wanneer een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd is en het recht daarop in een gemeenschap valt, zij gezamenlijk
één vorderingsrechthebben. De definitie zegt: ‘
Er is gemeenschap wanneer een goed aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk toebehoort’; art. 6:15 BW Pro draait het om: ‘
Wanneer een goed in de gemeenschap valt – met andere woorden wanneer er ten opzichte van een goed gemeenschap is – hebben de deelgenoten gezamenlijk één recht.’ In de eerste zin is ‘
gezamenlijk’ een element van de definitie, in de tweede zin is het gezamenlijk toebehoren van het goed een gevolg van de definitie. Zie ook
Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 575-576. Zie over de gemeenschap van een vorderingsrecht nader nr. 102.
BNB1995/251 (zie 4.4) blijkt dat de wetgever een civielrechtelijk verdelingsbegrip wenste. Ik neem aan dat hij dan noodzakelijkerwijs ook uitging van een civielrechtelijk gemeenschapsbegrip. Uit art. 3:166 BW Pro blijkt dat voor een gemeenschap vereist is dat een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten
gezamenlijk.
gezamenlijktoe aan haar, [X2] en [L]. De belanghebbende was
exclusieftot die aandelen gerechtigd. De Rechtbank heeft dus terecht overwogen, dat deze aandelen “evenzovele (genummerde) vermogensrechten (zijn) die voorafgaand aan het complex van rechtshandelingen niet onderdeel van enige gemeenschap vormden (…)”. Van verdeling van een gemeenschap was bij de litigieuze transacties (zie 2.4) mijns inziens dan ook geen sprake.
5.Ad middel 2: doorkijkarresten?
De wet
zodanig vormgegeven dat recht [werd] gedaan aan de oorspronkelijke bedoeling van de bepaling”. [17] De Memorie van Toelichting vermeldde over deze ‘meer economische benadering’ van indirecte gerechtigdheid tot onroerende zaken: [18]
BNB2007/167 [20] en HR
BNB2011/219 [21] behelzen het volgende. In HR
BNB2007/167 oordeelde u dat de verkrijging van aandelen in een ozl is vrijgesteld van overdrachtsbelasting als rechtstreekse verkrijging van ‘de stenen’ vrijgesteld zou zijn geweest:
BNB2011/219 achtte u ook de vrijstelling ex art. 15(1)(a) Wet BRV bij samenloop van omzetbelasting en overdrachtsbelasting van toepassing ter zake van een verkrijging van ozl-aandelen als rechtstreekse verkrijging van de stenen vrijgesteld zou zijn geweest:
BNB2007/167] heeft overwogen, dat de verkrijging van aandelen in, kort gezegd, onroerendezaaklichamen wordt belast als werden de betrokken onroerende zaken zelf verkregen. Deze wetsfictie heeft geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Met deze wetsfictie is niet beoogd de verkrijging van aandelen in een onroerendezaaklichaam onder de heffing van overdrachtsbelasting te brengen voor zover de verkrijging van een onroerende zaak van dat lichaam zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege de vrijstellingsbepaling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet BRV.
Eén gemeenschap of meer dan één gemeenschap? Eén verdeling of meer dan één verdeling?
‘Tenslotte kan ook enkel uit een overeenkomst tussen de deelgenoten voortvloeien dat tussen hen met betrekking tot de goederen waartoe zij in dezelfde verhouding gerechtigd zijn, slechts één gemeenschap bestaat, b.v. als zij zich verbonden hebben de goederen als één geheel tot verdeling te brengen. Door een zodanige overeenkomst bestemmen de deelgenoten als het ware de goederen voor hun onderlinge verhouding tot een “universitas facti”.’ [27]
reshuffle.
6.Beoordeling van de middelen
gezamenlijkbezit van de aandelen [K] en [J] bij de belanghebbende, [L] en [X2], zodat de Rechtbank terecht geen gemeenschap aanwezig heeft geacht die verdeeld zou hebben kunnen worden.