ECLI:NL:GHAMS:2025:3632

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
23-001522-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake inreisverbod en overtreding gebiedsverbod door Somalische verdachte

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte, een Somalische man geboren op [geboortedag 1] 1984, was eerder veroordeeld voor het niet naleven van een inreisverbod en een gebiedsverbod. Het hof heeft de tenlastelegging beoordeeld, waarbij de verdachte op 7 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk niet voldeed aan een bevel van de burgemeester om zich uit een overlastgebied te verwijderen en als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij een inreisverbod had. Het hof heeft de rechtmatigheid van het inreisverbod onderzocht in het licht van de Terugkeerrichtlijn en de relevante jurisprudentie. Het hof oordeelde dat het inreisverbod niet evident in strijd was met het Unierecht en dat de verdachte niet aannemelijk had gemaakt dat hij buiten zijn schuld niet in staat was om Nederland te verlaten. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarbij het hof rekening hield met zijn eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten. Het hof benadrukte dat de verdachte zich niet had gehouden aan de door de autoriteiten opgelegde verplichtingen en dat zijn gedrag in strijd was met de belangen van de samenleving.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001522-25
datum uitspraak: 17 december 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-174761-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
ONDERZOEK VAN DE ZAAK
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2025 en 10 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op of omstreeks 7 juni 2025 te 15:47 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;

2.hij op of omstreeks 7 juni 2025 te Amsterdam , althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
VONNIS WAARVAN BEROEP
Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter en de bewijsvraag, de strafbaarheid van de verdachte en de op te leggen straf van een deels andere motivering voorziet. Daardoor zou een partiële bevestiging van het vonnis een onvoldoende overzichtelijk geheel aan beslissingen en overwegingen opleveren.
ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE IN DE VERVOLGING VAN HET ONDER 2 TENLASTEGELEGDE
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie zich niet heeft gehouden aan het eigen beleid opgenomen in haar beleidsbrieven van 20 oktober 2008 en 13 augustus 2012, nu de verdachte na het verlaten van detentie op 6 juni 2025 geen redelijke termijn is geboden om het land te verlaten en hij op [geboortedag 2] 2025 weer is aangehouden.
De raadsman heeft betoogd dat zijn standpunt hetzij moet leiden tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde, hetzij tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Zijn standpunt raakt echter veeleer aan de voorvraag naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Het hof zal dit standpunt ook in die zin opvatten.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van de verdachte op de beleidsbrieven niet opgaat, omdat daarin als contra-indicatie voor het gunnen voor een redelijke termijn om Nederland te verlaten is vermeld het plegen van een strafbaar feit na afloop van een detentie. Nu de verdachte na zijn invrijheidsstelling op 6 juni 2025 zich op 7 juni 2025 schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een gebiedsverbod, is deze contra-indicatie op hem van toepassing.
Het hof overweegt als volgt.
In Beleidsbrieven van het College van procureurs-generaal van 20 oktober 2008 en 13 augustus 2012 met kenmerk PaG/HB/13161 respectievelijk PaG/B&S/16472 is neergelegd dat een vreemdeling na de uitreiking van een zwaar inreisverbod of een beschikking tot ongewenstverklaring of na afloop van een detentie in beginsel een termijn (een zogenaamde
terme de grâce) wordt gegund om zijn vertrek uit Nederland (aantoonbaar) voor te bereiden en te realiseren (en aldus de verboden toestand op te heffen), alvorens er (opnieuw) tot strafvervolging ter zake van artikel 197 Sr kan worden overgegaan. In de beleidsbrief uit 2012 is, meer specifiek, het volgende opgenomen:
Geen vervolging wegens art 197 WbSr vindt plaats indien:
- (…)
- de vreemdeling een redelijke termijn voor vertrek (terme de grâce) moet worden gegund;
- (…).
In beginsel worden de volgende termijnen van terme de grâce gehanteerd.
- Direct na de uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring of van het zware inreisverbod wordt een terme de grâce van 14 dagen gegund. Voor EU-onderdanen is het 4 weken;
- Na vrijlating uit detentie wordt de vreemdeling een terme de grâce van 10 dagen gegund, behoudens contra-indicaties, aangezien van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij tijdens detentie aantoonbaar voorbereidingen treft om het land te verlaten.
Vervolging voor een feit binnen deze termijnen leidt over het algemeen tot niet-ontvankelijkheid.
Contra-indicaties voor vergunnen van een terme de grâce zijn:
- het plegen/verdacht worden van een strafbaar feit (dus ook overtreding!) na uitreiken beschikking of afloop detentie;
- (…).
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2025 blijkt dat de aan de verdachte in de strafzaak met parketnummer 16-140819-25 opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd op 6 juni 2025. Op 7 juni 2025 is hij 15:47 uur aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 184 Sr (overtreding van een 24-uurs gebiedsverbod). Bij die stand van zaken kan – gelet op de geciteerde inhoud van de beleidsbrief en de daarin genoemde contra-indicatie – niet met vrucht worden gesteld dat het Openbaar Ministerie in strijd met zijn eigen beleid heeft gehandeld door de verdachte geen
terme de grâcete gunnen. Dat betekent dat het verweer niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde (en evenmin tot één van de door de raadsman genoemde rechtsgevolgen).
BEWIJSOVERWEGING MET BETREKKING TOT HET ONDER 2 TENLASTEGELEGDE
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de gebrekkige motivering van het inreisverbod ten aanzien van de vraag of het gedrag van de verdachte destijds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast niet aan een bewezenverklaring in de weg hoeft te staan. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt voorts dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod daadwerkelijk een dergelijke bedreiging vormde.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd:
(i) Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arresten van 18 oktober 2016 geoordeeld dat het aan de verdachte opgelegde inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de vraag of het gedrag van de verdachte destijds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast vormde. Aldus kan het inreisverbod niet gelden als een inreisverbod als bedoeld in artikel 197 Sr;
(ii) Ook los van deze arresten geldt dat er ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast;
(iii) De verdachte kan feitelijk niet terugkeren naar Somalië.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Aanleiding en actualisering juridisch kader
In 2022 heeft dit hof naar aanleiding van themazittingen in verschillende arresten met betrekking tot het in artikel 197 Sr strafbaar gestelde in Nederland verblijven in weerwil van een inreisverbod een juridisch kader opgenomen (o.a. Hof Amsterdam 10 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3199). Het hof ziet aanleiding in het voorliggende arrest andermaal een juridisch kader op te nemen, dat van toepassing is in 197-zaken tegen derdelanders en is aangepast naar de rechtsontwikkeling sinds 2022, en wel als volgt.
Nationaal wettelijk kader: artikel 197 Sr, Vw 2000 en Vb 2000
Artikel 197 Sr luidt: “Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
In artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is, voor zover hier van belang, bepaald dat een vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland uit eigen beweging binnen vier weken dient te verlaten. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel kan de Minister als bedoeld in artikel 1 Vw 2000 (sinds 1 juli 2025: de Minister van Asiel en Migratie) in afwijking van het eerste lid bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 vaardigt de Minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is (en op wie artikel 64 van die wet niet van toepassing is) en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, Vw 2000.
Op grond van artikel 66a, vierde lid, Vw 2000 wordt een inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder b en c, van dat artikel kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt geen rechtmatig verblijf hebben in geval hij een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel naar het oordeel van de Minister een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid.
Volgens artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan ingevolge die bepaling blijken uit onder meer (a) een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict of opiumdelict, of (b) een veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd.
Europees kader: de Terugkeerrichtlijn
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: Terugkeerrichtlijn) beoogt om op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. Te dien einde stelt de richtlijn „gemeenschappelijke normen en procedures” vast die de lidstaten van de EU moeten toepassen bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen (vgl. punten 31 en 32 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 28 april 2011, C‑61/11 PPU, ECLI:EU:C:2011:268).
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn vaardigen lidstaten van de EU een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Artikel 7, eerste lid, van die richtlijn schrijft voor dat in een terugkeerbesluit een passende termijn voor vrijwillig vertrek wordt vastgesteld. Op grond van het vierde lid van dat artikel kan van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek worden afgezien, onder andere indien de derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gaat het terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet is voldaan aan de terugkeerverplichting [het hof begrijpt: naar het land van herkomst of een ander in aanmerking komend land]. De duur van dat verbod kan gezien het tweede lid van dat artikel meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.
Jurisprudentie invulling van het Unierechtelijke openbare-ordebegrip
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft in het arrest van 11 juni 2015 (C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377) uitleg gegeven aan het begrip “gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. In het voetspoor van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) heeft de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat die uitleg mede richtinggevend moet worden geacht voor de uitleg van het begrip “ernstige bedreiging voor de openbare orde” in de zin van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Uit een en ander volgt kortweg dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:239).
In een uitspraak van 19 juli 2018 heeft de ABRvS geoordeeld dat bij de uitvaardiging van een inreisverbod – ongeacht de duur daarvan – het Unierecht wordt toegepast, waarbij alle in artikel 6.5a, derde of vierde lid, Vb 2000 en artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 vermelde gronden verband houden met de openbare orde (ECLI:NL:RVS:2018:2472).
Overigens heeft de ABRvS in haar uitspraak van 18 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4687) benadrukt dat de Minister, ook wanneer een ernstige bedreiging van de openbare orde kan worden aangenomen, deugdelijk en aan de hand van de in artikel 6.5a Vb 2000 genoemde gronden heeft te motiveren waarom hij een inreisverbod van maximaal 10 jaren (een zogenoemd zwaar inreisverbod) uitvaardigt, in plaats van een licht inreisverbod met een maximumduur van vijf jaren (een zogenoemd licht inreisverbod).
Beoordeling inreisverbod als tenlastegelegd bestanddeel
Met artikel 66a Vw 2000 en artikel 6.5a Vb 2000 is beoogd Unierecht, meer bepaald artikel 11, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, in Nederlands recht om te zetten (Kamerstukken II 2009/10, 32420, nr. 3, p. 17-19). Daarnaast strekt de in artikel 197 Sr neergelegde strafbaarstelling van verblijf in weerwil van een inreisverbod tot waarborging van het nuttig effect van de Terugkeerrichtlijn (Kamerstukken I 2011/12, 32420, nr. D. p. 7).
In het licht van het voorgaande kan van het in een op artikel 197 Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen bestanddeel “tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000” niet worden gesproken indien dat inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het recht van de Europese Unie, die van de Terugkeerrichtlijn in het bijzonder. Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 197 Sr dient de rechter dus te onderzoeken of het inreisverbod in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Unierecht alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek in zijn uitspraak te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen.
Meer specifiek brengt dit mee dat de strafrechter in geval een inreisverbod met een duur van meer dan vijf jaar is uitgevaardigd, dient te onderzoeken of ten tijde van die uitvaardiging met betrekking tot de verdachte sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (het openbare-ordecriterium).
Formele rechtskracht, uitzonderingen en taakverdeling tussen strafrechter en bestuursrechter
Ten aanzien van de taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter bij het oordeel of ten tijde van de uitvaardiging van een inreisverbod sprake was van een werkelijk, actuele en voldoende ernstige bedreiging, geldt het volgende.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1621) het volgende overwogen:
“2.5.1. Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan een besluit van een bestuursorgaan waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, in het strafrecht formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op de rechtszekerheid, het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617). Deze taakverdeling houdt onder meer verband met de onwenselijkheid dat de strafrechter anders gedwongen zou zijn om in een daarop niet toegesneden procedure, waarin het bestuursorgaan dat het betreffende besluit heeft genomen geen procesdeelnemer is, vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de bestuursrechter is toegerust en geroepen (…).
Dit uitgangspunt van de formele rechtskracht brengt mee dat de strafrechter in beginsel ervan moet uitgaan dat een besluit van een bestuursorgaan wat betreft de wijze van totstandkoming en zijn inhoud in overeenstemming is met de betreffende wettelijke voorschriften en met algemene rechtsbeginselen. Is het besluit bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617).
2.5.2. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan op deze formele rechtskracht van besluiten een uitzondering te maken in die zin dat een gedraging in weerwil van een besluit van een bestuursorgaan niet tot strafbaarheid leidt. Dat is bijvoorbeeld het geval als zich de uitzonderlijke situatie voordoet dat (i) fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling (vgl. HR 28 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:527) of (ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit (…).”
Eerder had de Hoge Raad in zijn arrest van 28 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:527) al het volgende overwogen:
“3.2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof is uitgegaan van een onjuist toetsingskader.
3.2.2. (…) Hierin ligt besloten dat het Hof heeft geoordeeld dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
(…)
3.3.
Het middel klaagt (…) dat het oordeel van het Hof dat het inreisverbod evident in strijd is met het bepaalde in (…) de Terugkeerrichtlijn (…) ontoereikend is gemotiveerd.
3.4.
In zijn arrest van 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:616, NJ 2016/387, heeft de Hoge Raad overwogen dat in een geval als het onderhavige waarin de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang tegen het inreisverbod heeft gevolgd, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken het volgende geldt. Is het inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter vernietigd, dan dient de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uit te gaan. Is het inreisverbod door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand gelaten, dan staat zulks in beginsel eraan in de weg dat de strafrechter het verweer dat het inreisverbod in strijd is met het Unierecht, zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken.
3.5.
Van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld kan sprake zijn wanneer de strafrechter vaststelt dat de oplegging van het inreisverbod evident in strijd is met het onder 3.2 bedoelde toetsingskader.
3.6.
Blijkens de hiervoor onder 2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof - ondanks hetgeen onder 3.1 is vermeld over de bestuursrechtelijke rechtsgang - het ervoor gehouden dat ten tijde van zijn uitspraak het besluit tot uitvaardiging van het inreisverbod tegen de verdachte nog niet rechtens onaantastbaar was. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende is in het licht van de Terugkeerrichtlijn en dat dit besluit derhalve niet rechtmatig kan worden geacht. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet begrijpelijk is het daarin besloten liggende oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
3.7.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3.8.
Opmerking verdient dat ook wanneer de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang of wanneer een onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter in die rechtsgang niet kan worden afgewacht, in de strafzaak het in 3.2 bedoelde toetsingskader slechts aan het aannemen van de rechtmatigheid van het inreisverbod in weg staat als de strafrechter vaststelt dat in het voorliggende geval evident geen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.”
Nu tegen een beschikking waarbij een inreisverbod wordt uitgevaardigd een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, dient de strafrechter, zo leidt het hof uit het arrest van 12 november 2024 af, in zaken als de onderhavige uit te gaan van de rechtmatigheid van een inreisverbod, ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van deze bestuurlijke rechtsgang,
tenzijhet inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter is vernietigd – dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan – of sprake is van één van de uitzonderlijke situaties als door de Hoge Raad in dat arrest genoemd, te weten:
( i) in de situatie dat fundamentele rechten en/of rechtstreeks werkende bepalingen van Unierecht met zich brengen dat zo’n besluit niet als basis kan dienen voor een strafrechtelijke veroordeling,
of
(ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit.
Mede in het licht van het arrest van 28 maart 2017 kan – ook weer ongeacht de vraag of gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang – van zo’n uitzonderlijke situatie worden gesproken, als de strafrechter tot het oordeel komt dat in het voorliggende geval met betrekking tot de verdachte ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod
evidentgeen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
Uit het arrest van 28 maart 2017 spreekt voorts dat voor dat oordeel niet toereikend is dat de
motiveringvan de beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod op dit punt tekortschiet. De beslissing tot uitvaardiging van het verbod moet
materieeltekortschieten, in die zin dat deze inhoudelijk bezien niet had mogen worden genomen, en dát moet evident zijn.
Stukken voor beoordeling inreisverbod
Om de strafrechter in staat te stellen de noodzakelijke feitelijke vaststellingen te doen met betrekking tot de vraag of ten tijde van de uitvaardiging van het inreisverbod materieel sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging, is het wenselijk dat het Openbaar Ministerie – naast een uittreksel uit de Justitiële Documentatie – reclasseringsrapporten of andere relevante informatiebronnen overlegt die inzicht bieden in het functioneren van de betreffende verdachte op de verschillende leefgebieden op dat moment.
In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie dergelijke informatie verstrekt.
Beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde in de voorliggende zaak
De verdachte heeft de Somalische nationaliteit. Bij beschikking van 25 september 2013 is hem met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd, welk besluit, zo staat in de beschikking vermeld, tevens dient aangemerkt te worden als een terugkeerbesluit. Deze beschikking is hem op 5 oktober 2013 in persoon uitgereikt. Namens de verdachte is op 14 oktober 2013 beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij hem het inreisverbod is opgelegd. Dat beroep is op 12 juni 2014 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is op 10 juli 2014 hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is op 12 augustus 2014 ongegrond verklaard. De beschikking is daarmee onherroepelijk geworden.
De verdachte verbleef op 7 juni 2025 in Amsterdam in weerwil van het inreisverbod, dat op dat moment niet was ingetrokken of vervallen. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte Nederland in de periode tussen 25 september 2013 en 7 juni 2025 op enig moment heeft verlaten.
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2025 blijkt dat de verdachte ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod (op 25 september 2013) onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van onder meer ruim vijftien winkeldiefstallen of een poging daartoe, meerdere beledigingen en bedreigingen (al dan niet van personen met een publieke taak) en het zich meerdere malen schuldig maken aan het opzettelijk niet voldoen aan een ambtelijk bevel of ambtelijke vordering. Deze feiten zijn gepleegd en afgedaan tussen 17 augustus 2009 en 28 februari 2013. Dat betrof niet alleen gedragingen die verstorend zijn voor de openbare orde en/of overlast veroorzaken, maar ook gedragingen die anderen in hun gevoel van veiligheid (kunnen) aantasten. Uit op 20 april 2011 en 23 maart 2012 over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten blijkt daarnaast dat het hem destijds ontbrak aan zinvolle dagbesteding en hij geen werk had, niet beschikte over een eigen woonruimte, schulden had en kampte met problematisch alcoholgebruik. Naar eigen zeggen pleegde de verdachte veel van zijn winkeldiefstallen, omdat hij geen geld had. Verder had de verdachte vrijwel altijd moeite met autoriteit en kon hij zijn zelfbeheersing verliezen en agressief worden door alcoholgebruik, hetgeen regelmatig heeft geresulteerd in beledigingen en bedreigingen, aldus indertijd de verdachte. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de gedachte dat die problematiek van de verdachte op 25 september 2013 inmiddels effectief het hoofd was geboden. Integendeel, ruim een week later (op 4 oktober 2013) heeft hij – tijdens de extramurale fase van de ISD-maatregel die hem inmiddels was opgelegd – opnieuw vijf misdrijven gepleegd, waaronder twee bedreigingen, waarna de executie van de ISD-maatregel weer intramuraal werd voortgezet.
Gelet op het aantal door de verdachte gepleegde delicten, de frequentie waarmee die delicten in aanloop naar het uitvaardigen van het inreisverbod zijn gepleegd, de aard en ernst van de gepleegde delicten en hetgeen verder is gebleken uit bovengenoemde reclasseringsrapporten is het hof van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ten tijde van het uitvaardigen van het inreisverbod evident niet aan het openbare-ordecriterium was voldaan.
Ook voor het overige ziet het hof geen grond voor het oordeel dat de oplegging van het inreisverbod evident in strijd zou zijn met rechtsreeks werkende bepalingen van het Unierecht. Het zal dan ook uitgaan van de rechtmatigheid van de – door de bestuursrechter in stand gelaten – beschikking waarbij het inreisverbod is opgelegd.
Het hof volgt de raadsman dus niet in zijn onder (ii) genoemde stellingname.
Naar aanleiding van het onder (i) genoemde argument overweegt het hof als volgt.
Op 18 oktober 2016 heeft het hof – in een andere samenstelling – arrest gewezen in twee oudere zaken tegen de verdachte (ECLI:NL:GHAMS:2016:4162 en ECLI:NL:GHAMS:2016:4163). Daarin is, kort gezegd, geoordeeld dat de motivering van de beschikking tot uitvaardiging van het inreisverbod van 25 september 2013 de conclusie dat in dit geval sprake is van een ernstige en actuele bedreiging van de openbare orde (evident) niet kan dragen. Dit bracht het hof vervolgens tot het oordeel dat het inreisverbod niet overeenkomstig de bepalingen van Terugkeerrichtlijn is uitgevaardigd, zodat het niet kan worden beschouwd als een inreisverbod als bedoeld in artikel 197 Sr. Op die gronden is de verdachte in die zaken vrijgesproken van het op dat artikel toegesneden tenlastegelegde.
Het oordeel in deze oudere zaken kan de verdachte hier niet baten. De samenstelling die deze arresten heeft gewezen, heeft klaarblijkelijk anders over de rechtmatigheid van het aan de verdachte opgelegde inreisverbod geoordeeld. Dat eerdere oordeel bindt de samenstelling die de nu voorliggende zaak behandelt niet en mag niet aan de weg staan aan de uitkomst die thans als juist wordt geoordeeld. Het hof merkt bovendien op dat de eerdere samenstelling op 18 oktober 2016 nog geen rekening heeft kunnen houden met hetgeen uit het hierboven besproken arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:527) moet worden afgeleid over de materiële toets die de strafrechter bij de beoordeling van het openbare-ordecriterium heeft te verrichten.
Tot slot overweegt het hof dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de feitelijke onmogelijkheid van de verdachte om naar Somalië terug te kunnen keren (genoemd onder (iii)), wat er ook zij van de juistheid daarvan, niet aan de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde in de weg kan staan.
Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen.
BEWEZENVERKLARING
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 7 juni 2025 te 15:47 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;

2.hij op 7 juni 2025 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.
STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde een beroep op overmacht toekomt, nu hij niet vrijwillig kan terugkeren naar Somalië en hij buiten zijn schuld nog niet uit Nederland is vertrokken. Daartoe is verwezen naar het Ambtsbericht Somalië en erop gewezen dat in Somalië corruptie, voedselgebrek en conflicten heersen. Somalië is voor de verdachte geen veilig land. Mogelijk is dat anders voor personen die in Somalië iets hebben om naar terug te keren, maar dat geldt niet voor de verdachte. De verdachte beschikt daarnaast niet over de juiste documenten om het land binnen te komen, en ook de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) is het niet gelukt die documenten voor de verdachte te regelen. Ook contact met de Internationale Organisatie voor Migratie heeft niet geholpen. Tot slot is de verdachte op geen enkel moment een concrete oplossing geboden of een concreet voorstel gedaan om Nederland te kunnen verlaten. De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op overmacht moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit informatie uit openbare bron blijkt dat inmiddels een aantal keren vrijwillige terugkeer naar Somalië heeft plaatsgevonden. Voorts blijkt uit het dossier dat de verdachte niet terug
wilkeren naar Somalië: hij heeft in meerdere vertrekgesprekken duidelijk gemaakt niet van plan te zijn terug te keren naar zijn land van herkomst. Dat het niet gelukt is om de verdachte uit te zetten, betekent niet dat sprake is van een overmachtsituatie, zo heeft de advocaat-generaal betoogd.
Het hof overweegt als volgt.
Vooropgesteld zij dat een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor een vreemdeling een rechtsplicht meebrengen Nederland te verlaten. Van die verplichting is slechts uitgezonderd de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij daartoe buiten zijn schuld niet in staat is, bijvoorbeeld omdat deze buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten (vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8848 en HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2416). Het is dus primair de verantwoordelijkheid van de vreemdeling al datgene te doen wat tot zijn vertrek uit Nederland kan leiden. Pas indien aannemelijk is geworden dat een vreemdeling al het mogelijke heeft gedaan wat van hem redelijkerwijs kan worden verwacht met het oog op zijn vertrek uit Nederland, kan deze omstandigheid het oordeel dragen dat hij aangaande zijn vertrek uit Nederland verkeert in een toestand van overmacht.
Zoals ter terechtzitting in hoger beroep is besproken, volgt uit informatie uit openbare bron dat vrijwillige terugkeer naar Somalië mogelijk is en ook daadwerkelijk – zij het in beperkte mate – plaatsvindt. Zo is in de Beslisnota Landenbeleid Somalië van de Minister van Asiel en Migratie van 4 april 2025, behorende bij de Kamerbrief Landenbeleid Somalië van 9 september 2025, opgenomen:
“Zelfstandige terugkeer naar Somalië is mogelijk. De Somalische autoriteiten geven laissez-passers af aan vreemdelingen die zelfstandig willen terugkeren naar Somalië, maar niet in het bezit zijn van een reisdocument. Gedwongen terugkeer naar Somalië is op dit moment niet mogelijk omdat de Somalische autoriteiten geen medewerking verlenen aan het realiseren van gedwongen terugkeer. […] In de periode 1 juli 2023 tot en met februari 2025 heeft er circa twintig maal zelfstandig vertrek naar Somalië plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is er niet zonder meer reden aan te nemen dat alle terugkeerders enkel vanwege hun terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten zullen komen te staan. Het AAB [het hof: algemeen ambtsbericht] geeft daarom geen aanleiding om aan te nemen dat terugkeer naar Somalië niet mogelijk is.”
Het gegeven dat het reisadvies voor Somalië (op enkele uitgezonderde steden na) op rood staat, is – mede gelet op het voorgaande – op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte (in het kader van zijn rechtsplicht Nederland te verlaten) niet terug kan keren naar Somalië.
Daarnaast komt uit de recente rechtspraak van de ABRvS naar voren dat een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM ) zich in het algemeen niet voordoet bij vestiging in Mogadishu , en dat Mogadishu onder omstandigheden als binnenlands beschermingsalternatief kan fungeren voor personen die niet veilig terug kunnen keren naar andere delen van Somalië (vgl. ABRvS 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805). Door en namens de verdachte zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat het voor de verdachte – onder meer door het ontbreken van familiebanden in Somalië – onveilig zou zijn om vrijwillig terug te keren naar Somalië en zich bijvoorbeeld in Mogadishu te vestigen. Gelet daarop is op dit moment niet aannemelijk geworden dat terugkeer naar Somalië om veiligheidsredenen niet van de verdachte kan worden gevergd.
Bij het voorgaande komt ook betekenis toe aan de houding van de verdachte ten opzichte van het van hem gevergde vertrek. Uit het dossier kan niet blijken dat de verdachte enige poging heeft ondernomen om via de Somalische autoriteiten zelf een laissez-passer (LP) te verkrijgen. Dat de verdachte buiten zijn schuld niet in het bezit is (gekomen) van de vereiste reisdocumenten om Nederland te verlaten, is daarom niet aannemelijk geworden. Van hem mag een dergelijke inspanning, gelet op de op hem rustende rechtsplicht het land te verlaten, wel worden gevergd. Dat DT&V kennelijk geen reisdocumenten voor de verdachte heeft kunnen bewerkstelligen en dat de verdachte geen concrete mogelijkheid zou zijn geboden om legaal uit te reizen, doet daar niet aan af: het is immers primair de verantwoordelijkheid van de verdachte om zelf al datgene te doen wat tot zijn vertrek uit Nederland kan leiden. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dat heeft gedaan. Het hof betrekt daarbij dat de verdachte in vertrekgesprekken van 7 maart 2022 en 18 november 2024 te kennen heeft gegeven niet terug te willen keren naar Somalië en niet mee te werken aan een dergelijke terugkeer. In dat tweede vertrekgesprek heeft de verdachte toegelicht dat hij niet meewerkend is aan terugkeer naar Somalië, omdat hij daar niets heeft en niemand kent. Niet is tot nu toe gebleken dat het beginsel van
non-refoulement– dat Nederland bij verdachtes terugkeer volledig dient te respecteren – in de weg staat aan verdachtes terugkeer.
Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de weigerachtige houding van de verdachte, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte buiten zijn schuld niet in staat is te voldoen aan zijn rechtsplicht Nederland te verlaten. Dat vrijwillige terugkeer naar diens land van herkomst vanwege de opstelling van de autoriteiten hier en/of aldaar helemaal niet mogelijk zou zijn, is evenmin aannemelijk geworden.
Op grond van het voorgaande verwerpt het hof het beroep op overmacht.
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
OPLEGGING VAN STRAF
De politierechter heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte onder 2 bewezenverklaarde schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd, dat terugkeer naar Somalië feitelijk onmogelijk is voor de verdachte, dat hem geen aanbod tot terugkeer is gedaan en dat hem – na afloop van zijn detentie – geen redelijke termijn is geboden Nederland te verlaten. Voorts heeft hij aangevoerd dat oplegging van straf voor het onder 2 bewezenverklaarde geen doel dient, en dat daarvan geen effect op het gedrag van de verdachte te verwachten is. Subsidiair heeft hij het hof verzocht de door de politierechter opgelegde straf substantieel te matigen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in Nederland verbleven, terwijl hij wist dat hem een inreisverbod was opgelegd. Hij heeft er aldus blijk van gegeven zich niets aan te trekken van een door het bevoegd gezag genomen besluit. Bovendien druist zijn handelen in tegen het belang dat de samenleving heeft bij het respecteren en naleven van dit besluit. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van een hem opgelegd tijdelijk gebiedsverbod.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2025 is de verdachte veelvuldig eerder onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Het hof betrekt dat in voor de verdachte negatieve zin bij het bepalen van de op te leggen straf.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de bewezen geachte feiten en de mate van recidive, in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als gevorderd door de advocaat-generaal in de rede ligt.
De verdachte is echter ná de in deze zaak bewezenverklaarde pleegdatum van 7 juni 2025 in andere twee zaken door de strafrechter veroordeeld tot in totaal 5 maanden gevangenisstraf. Daarbij is telkens een veroordeling ter zake van de misdrijven als bedoeld in de artikelen 184 en 197 Sr uitgesproken. Gelet hierop ziet het hof, in het verlengde van het bepaalde in artikel 63 Sr en met het oog op een passende strafoplegging, aanleiding om in het voordeel van de verdachte van de vordering van de advocaat-generaal af te wijken.
Ten aanzien van hetgeen de raadsman (ook) in relatie tot de strafoplegging heeft aangevoerd over de motivering van het inreisverbod en de (on)mogelijkheid tot terugkeer naar Somalië, verwijst het hof naar zijn overwegingen daarover in de andere delen van dit arrest.
Alles afwegende, is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden is en dat met een andere of lichtere straf niet kan worden volstaan.
Naar vaste jurisprudentie dient de rechter die een derdelander een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met artikel 197 Sr, zich ervan te vergewissen dat de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen en daarvan in de motivering van zijn beslissing dient blijk te geven (zie o.a. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:242).
Aangaande de door de Terugkeerrichtlijn voorgeschreven stappen stelt het hof volgende vast. Bij beschikking van 25 september 2013 is vastgesteld dat de verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en zijn jegens hem een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd. Vanaf 2020 is met hem een reeks aan vertrekgesprekken gevoerd tijdens vier periodes waarin hij telkens ettelijke maanden op strafrechtelijke titel gedetineerd is geweest. In die gesprekken is hem aangezegd Nederland te verlaten en is getracht hem daartoe te motiveren. Dit heeft echter niet tot zijn vrijwillige vertrek uit Nederland geleid. Daarnaast is door DT&V op 25 november 2024 ten behoeve van de verdachte een LP-aanvraag voor Somalië ingediend met behulp van een kopie van zijn (verlopen) paspoort en een kopie van zijn geboorteakte. De aanvraag is op 19 februari 2025 weer ingetrokken moeten worden, omdat gedwongen terugkeer naar Somalië niet tot de mogelijkheden behoort en de verdachte niet vrijwillig aan de LP-aanvraag heeft meegewerkt.
Naar het oordeel van het hof zijn door de Nederlandse autoriteiten de inspanningen geleverd die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd, om de verdachte – wiens identiteit en nationaliteit niet ter discussie staan – te doen vertrekken naar een in artikel 3, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoeld land. Dat de verdachte niet in vreemdelingenbewaring is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het dossier biedt immers geen aanknopingspunten voor de gedachte dat oplegging van deze maatregel in de afgelopen jaren aan de gedwongen verwijdering naar Somalië had kunnen bijdragen. Op dit moment zijn er – voor zover het hof bekend – geen lopende laissez-passer-aanvragen of andere openstaande vertrekprocedures aanhangig. Bij die stand van zaken staat strafoplegging niet in de weg aan de verwezenlijking van de met de terugkeerrichtlijn nagestreefde doelstelling.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 184 en 197 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. E.J. Hofstee en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2025.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde
1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2025;
Ik ben naar een plek gegaan binnen het gebied waarvoor ik een verwijderingsbevel had gekregen eerder die dag. Ik was samen met vrienden en wij zouden doorfeesten. Toen werd ik aangehouden.
2.
Een proces-verbaal van aanhouding van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op zaterdag 7 juni 2025 om 15:45 uur bevond ik mij op de Oudezijds Voorburgwal ter hoogte van nummer [nummer] te Amsterdam . Daar zag ik een persoon waarvan ik wist dat het deze persoon verboden was zich in het overlastgebied te bevinden. Genoemde weg of weggedeelte waar de persoon zich bevond, ligt in het overlastgebied. Het was de voor mij ambtshalve bekende overlastgever: [verdachte] . Het was mij ambtshalve bekend dat [verdachte] een verbod had ingaande op zaterdag 7 juni 2025 te 11.30 uur en lopende tot zondag 8 juni 2025 te 11.30 uur. De locatie waar [verdachte] zich bevond, bevond zich binnen het gebied waar [verdachte] zich niet mocht bevinden. Ik heb hem vervolgens aangehouden voor de overtreding.
3.
Een proces-verbaal van uitreiking van een verwijderingsbevel van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 24-27.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
Op 7 juni 2025 bevonden wij ons in Amsterdam . Wij zagen op de kruising van het fietspad van de [adres 1] en het [adres 2] een man op een blok beton zitten die een groenkleurig blikje in zijn hand had. Wij herkenden deze persoon als een bekende overlastgever in het centrum van Amsterdam . Deze persoon is genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1984. Wij, verbalisanten, spraken met deze persoon. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat op het blikje stond: “Heineken Bier INH 500ML ALC. 5%vol”. Ik zag dat in het blikje een schuimende vloeistof zat.
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , heb [ [verdachte] ] een gebiedsverbod uitgereikt voor de duur van 24 uur voor het gebied Centrum Amsterdam gegeven ter zake overtreding alcoholverbod. Dit verbod is van kracht vanaf zaterdag 7 juni 11.30 uur tot en met zondag 8 juni 11.30 uur. [verdachte] en verbalisanten spraken met elkaar in de Nederlandse taal. [verdachte] begreep ons goed.
Op zaterdag 7 juni 2025 om 11:30 uur, heb ik, [verbalisant 1] , aan de verdachte namens de burgemeester van Amsterdam in mandaat een verwijderingsbevel voor de duur van 24 uur uitgereikt en hem het bevel gegeven zich terstond uit het overlastgebied te verwijderen. Ik zei namelijk tegen deze betrokkene/verdachte: "Ik beveel dat u zich onmiddellijk verwijdert uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations voor de duur van vierentwintig uur."
Ik heb op het verwijderingsbevel voor de duur van 24 uur de reden vermeld die heeft geleid tot het opleggen hiervan. Ik heb het verwijderingsbevel vervolgens namens de burgemeester ondertekend en aan verdachte uitgereikt. Nadat ik de verdachte het verbod had uitgereikt, vroeg ik de verdachte of hij de strekking van het verbod had begrepen. Hierop antwoordde de verdachte ik ga weg. Ik heb verdachte tevens de waarschuwingskaart uitgereikt met de grenzen van het overlastgebied, waar verdachte zich voor de duur van 24 uur niet mag begeven.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
1.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2013, doorgenummerde pagina’s 31-36.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Betreft: [verdachte] [het hof begrijpt: [verdachte] ], geboren op [geboortedag 1] 1984, van Somalische nationaliteit.
Besluit
De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet ingetrokken met terugwerkende kracht tot 8 maart 2011.
Voorts wordt bepaald dat betrokkene Nederland onmiddellijk dient te verlaten en wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar, gerekend vanaf de datum dat betrokkene Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.
Motivering van de beslissing
Tegen betrokkene wordt een inreisverbod uitgevaardigd ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Conform artikel 66a lid 7 aanhef en onder a Vw [het hof begrijpt: Vreemdelingenwet 2000] juncto artikel 6.5a vijfde lid Vb bedraagt de duur van het inreisverbod tien jaren.
Rechtsgevolgen van deze beschikking
Dit besluit heeft de rechtsgevolgen als opgesomd in artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit houdt onder meer in dat betrokkene na bekendmaking van de beschikking niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Dit besluit wordt tevens aangemerkt als terugkeerbesluit. Op grond van artikel 62, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 wordt bepaald dat betrokkene Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, is
strafbaar op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Betrokkene zal gesignaleerd worden in het NSIS ter fine van de weigering van de toegang voor de EU-landen (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland), het EER-gebied en Zwitserland.
2.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een uitreikingsblad behorende bij de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2013, doorgenummerde pagina 37.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Betreft: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1984, van Somalische nationaliteit.
Deze beschikking is uitgereikt op 5 oktober 2013 door [persoon] te Eindhoven.
Voor ontvangst: [handtekening].
3.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 februari 2025, opgemaakt door mr. P.B. Martens, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, ter terechtzitting in hoger beroep op 26 november 2025 in dit dossier gevoegd.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 februari 2025 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte in de zaak met parketnummer 13-033461-25 (in hoger beroep: 23-000400-25):
Ik wist dat ik een inreisverbod heb.
4.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een verslag (vertrek)gesprek van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 27 maart 2019, ongenummerd.
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergeven:
Betreft: [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1984, van Somalische nationaliteit.
Verslag van het 2e vertrekgesprek, gehouden op 7 februari 2019 om 14:00 uur te [locatie 1] , [locatie 2] , door de Dienst Terugkeer & Vertrek .
Betrokkene geeft aan dat hij heeft nagedacht sinds het vorige gesprek. Hij is niet van plan om terug te gaan naar Somalië. Hij blijft in Nederland. Hij ziet zelf zijn toekomst positief in, ondanks het feit dat aan hem een inreisverbod is opgelegd, De consequenties daarvan zijn hem duidelijk.
5.
Een proces-verbaal van aanhouding van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op zaterdag 7 juni 2025 om 15:47 uur heb ik op de [adres 3] de hieronder genoemde verdachte aangehouden.
[verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1984, van Somalische nationaliteit.