Uitspraak
1.hij op of omstreeks 7 juni 2025 te 15:47 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;
2.hij op of omstreeks 7 juni 2025 te Amsterdam , althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
terme de grâce) wordt gegund om zijn vertrek uit Nederland (aantoonbaar) voor te bereiden en te realiseren (en aldus de verboden toestand op te heffen), alvorens er (opnieuw) tot strafvervolging ter zake van artikel 197 Sr kan worden overgegaan. In de beleidsbrief uit 2012 is, meer specifiek, het volgende opgenomen:
- de vreemdeling een redelijke termijn voor vertrek (terme de grâce) moet worden gegund;
- Direct na de uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring of van het zware inreisverbod wordt een terme de grâce van 14 dagen gegund. Voor EU-onderdanen is het 4 weken;
- het plegen/verdacht worden van een strafbaar feit (dus ook overtreding!) na uitreiken beschikking of afloop detentie;
terme de grâcete gunnen. Dat betekent dat het verweer niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde (en evenmin tot één van de door de raadsman genoemde rechtsgevolgen).
(i) Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arresten van 18 oktober 2016 geoordeeld dat het aan de verdachte opgelegde inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd ten aanzien van de vraag of het gedrag van de verdachte destijds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast vormde. Aldus kan het inreisverbod niet gelden als een inreisverbod als bedoeld in artikel 197 Sr;
tenzijhet inreisverbod bij onherroepelijke uitspraak van de bestuursrechter is vernietigd – dan moet de strafrechter van die beslissing van de bestuursrechter uitgaan – of sprake is van één van de uitzonderlijke situaties als door de Hoge Raad in dat arrest genoemd, te weten:
of
(ii) als de delictsomschrijving zo moet worden uitgelegd dat hieraan alleen wordt voldaan als sprake is van een (ook) naar het oordeel van de strafrechter rechtmatig tot stand gekomen besluit.
evidentgeen sprake was van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.
motiveringvan de beschikking tot uitvaardiging van een inreisverbod op dit punt tekortschiet. De beslissing tot uitvaardiging van het verbod moet
materieeltekortschieten, in die zin dat deze inhoudelijk bezien niet had mogen worden genomen, en dát moet evident zijn.
1.hij op 7 juni 2025 te 15:47 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden;
2.hij op 7 juni 2025 te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
wilkeren naar Somalië: hij heeft in meerdere vertrekgesprekken duidelijk gemaakt niet van plan te zijn terug te keren naar zijn land van herkomst. Dat het niet gelukt is om de verdachte uit te zetten, betekent niet dat sprake is van een overmachtsituatie, zo heeft de advocaat-generaal betoogd.
non-refoulement– dat Nederland bij verdachtes terugkeer volledig dient te respecteren – in de weg staat aan verdachtes terugkeer.
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2025;
Een proces-verbaal van aanhouding van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.
Een proces-verbaal van uitreiking van een verwijderingsbevel van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 24-27.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2013, doorgenummerde pagina’s 31-36.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een uitreikingsblad behorende bij de beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 25 september 2013, doorgenummerde pagina 37.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 februari 2025, opgemaakt door mr. P.B. Martens, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, ter terechtzitting in hoger beroep op 26 november 2025 in dit dossier gevoegd.
Een geschrift dat tot het bewijs is gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen, te weten een verslag (vertrek)gesprek van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 27 maart 2019, ongenummerd.
Een proces-verbaal van aanhouding van 7 juni 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 5-7.