Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Beslissing
23 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de uitlevering van een Poolse Unieburger aan Oekraïne wegens drugsdelicten. De verdediging voerde aan dat uitlevering zou leiden tot een dreigende schending van artikel 19.2 van het EU-Handvest, omdat de opgeëiste persoon in Oekraïne onmenselijk of vernederend behandeld zou worden. De rechtbank verwierp dit beroep, stellende dat alleen bij een voltooide schending van fundamentele rechten de uitleveringsrechter kan oordelen, terwijl dreigende schendingen aan de Minister zijn voorbehouden.
Daarnaast werd een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek ingediend om te informeren bij de Poolse autoriteiten over een mogelijk Europees aanhoudingsbevel. De rechtbank wees dit verzoek af en oordeelde dat dergelijke diplomatieke contacten de bevoegdheid van de Minister zijn, niet van de rechter. De Hoge Raad bevestigt deze bevoegdheidsverdeling en wijst het beroep af.
De Hoge Raad benadrukt het vertrouwensbeginsel dat de verzoekende staat fundamentele rechten respecteert en stelt dat de uitleveringsrechter slechts kan oordelen over voltooide schendingen van artikel 3 EVRM Pro en flagrante schendingen van artikel 6 EVRM Pro, terwijl dreigende schendingen aan de Minister zijn. Het beroep op het arrest Petruhhin van het Hof van Justitie EU verandert hier niets aan. Het beroep wordt verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Oekraïne blijft toelaatbaar.