Conclusie
eerste, tweede en derde middelrichten zich tegen de verwerping van het namens de opgeëiste persoon gevoerde verweer dat art. 19 lid 2 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat, omdat een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon bij uitlevering aan Oekraïne onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.
vierde middelkeert zich tegen de afwijzing van het verzoek om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek teneinde de Poolse autoriteiten te informeren over het uitleveringsverzoek en hen te vragen of zij bereid zijn om de overlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken met het oog op vervolging van de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering door de Oekraïense autoriteiten is verzocht.
de bevoegde autoriteitvan de aangezochte lidstaat die moet beslissen of een persoon aan dit derde land wordt uitgeleverd. Voor de beantwoording van de vraag welke autoriteit dit betreft, zal daarom mijns inziens in beginsel moeten worden teruggevallen op de nationale uitleveringsregels.
De rechtbank heeft kennelijk bedoeld de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter zake van de feiten zoals omschreven in de bij het uitleveringsverzoek gevoegde melding betreffende verdenking d.d. 14 april 2016, opgemaakt door [verbalisant 1], senior opsporingsambtenaar van de 1e Afdeling van de Rechercheafdeling van het Departement van de Veiligheidsdienst van Oekraïne in de Volynska regio. De Hoge Raad kan dit verzuim herstellen.