Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een klaagschrift tegen het beslag op een Mercedes-Benz personenauto, genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De klager stelde dat hij eigenaar was van de auto en dat het beslag onterecht was gelegd, mede omdat hij niet veroordeeld was en aantoonbare inkomsten had voorafgaand aan de aanschaf. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn van twee jaren na inbeslagneming was ingediend.
De Hoge Raad beoordeelde het middel van cassatie waarin werd betoogd dat de rechtbank ten onrechte artikel 552a lid 4 Sv had toegepast in plaats van lid 3, omdat er naast de strafzaak ook een ontnemingsprocedure liep. De Hoge Raad overwoog dat het enkel feit dat een rechter-commissaris een machtiging verleende voor conservatoir beslag niet automatisch betekent dat er sprake is van een 'vervolgde zaak' in de zin van artikel 552a lid 3 Sv.
Het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van een vervolging die nog niet was beëindigd, was niet onjuist. Daarom werd het beroep verworpen en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift in stand. De Hoge Raad bevestigde hiermee de strikte toepassing van de termijnen voor het indienen van klaagschriften tegen beslag.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van twee jaar na inbeslagneming.