Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het beroep in cassatie van het Openbaar Ministerie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van dood door schuld door het onjuist installeren van een hoog rendement gaswandketel en rookgasafvoer. De slachtoffers, een vader en zijn zoon, overleden door koolmonoxidevergiftiging in hun recreatiewoning.
De rechtbank veroordeelde de medeverdachte (vader) voor dit feit, maar sprak de verdachte (zoon) vrij vanwege zijn ondergeschikte rol. Het hof sprak beide vrij omdat het niet aannemelijk was dat het overlijden van de slachtoffers redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte en medeverdachte kon worden toegerekend. De Hoge Raad herhaalt dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden.
De kernvraag was of het causaal verband bestond tussen de installatiehandelingen en de koolmonoxidevergiftiging. Uit het dossier bleek dat de ketel verkeerd was ingesteld en de rookgasafvoer gebrekkig was bevestigd, maar onvoldoende bewijs bestond dat deze tekortkomingen het losraken van de afvoer hadden veroorzaakt. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de gedragingen het risico op overlijden in relevante mate hadden verhoogd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en zijn oordeel niet onbegrijpelijk is. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen. De verdachte blijft vrijgesproken van dood door schuld in de uitoefening van enig ambt of beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken causaal verband tussen zijn gedragingen en de dood door koolmonoxidevergiftiging.