Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met een bijzondere voorwaarde dat hij geen contact mocht leggen met de ex-vriendin en haar familie. Het hof bepaalde dat deze bijzondere voorwaarde en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar waren.
De verdachte stelde cassatie in tegen het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. De Hoge Raad herhaalde de motiveringsverplichting zoals neergelegd in eerdere jurisprudentie en oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat aan de wettelijke voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid was voldaan. Met name ontbrak een duidelijke onderbouwing dat de bewezen feiten gericht waren tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en dat ernstig rekening moest worden gehouden met herhaling.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht, maar liet de rest van het arrest in stand. Hiermee wordt benadrukt dat dadelijke uitvoerbaarheid slechts kan worden bevolen indien de motiveringsverplichting strikt wordt nageleefd.
Uitkomst: Het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht is vernietigd wegens onvoldoende motivering.