Conclusie
middelwordt gesteld dat het hof het ingevolge art. 14c Sr opgelegde contactverbod en het op de voet van art. 14d Sr opgedragen reclasseringstoezicht ten onrechte of zonder toereikende motivering toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 14e Sr. Op grond van art. 14e Sr kan de rechter bevelen dat de in art. 14c genoemde voorwaarden en het in art. 14d genoemde toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Volgens de steller van het middel kunnen de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten niet zonder meer worden aangemerkt als feiten die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam en kan uit ‘s hofs motivering van de toepassing van art. 14e Sr evenmin worden afgeleid waarom de bewezenverklaarde feiten in casu wel als zodanige feiten moeten worden beschouwd.