Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
27 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag dat hem schuldig achtte aan medeplegen van kraken van een pand aan de A-straat te Den Haag. Verdachte bevond zich op 9 september 2015 in een kraaiennest op het dak van het pand, dat door de gemeente was ontruimd nadat de bruikleenovereenkomst met de gebruikers was opgezegd.
De verdediging voerde aan dat verblijf op het dak niet gelijkstaat aan verblijf in het gebouw en dat het gebruik van het pand niet was beëindigd omdat feitelijk nog gebruik werd gemaakt van het pand na opzegging. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'in een gebouw' ook verblijf op het gebouw omvat en dat beëindiging van het gebruik door de rechthebbende al plaatsvindt bij opzegging van de gebruiksovereenkomst, ook als feitelijk gebruik nog voortduurt.
De Hoge Raad verwierp de bezwaren en bevestigde de bewezenverklaring en de toepassing van artikel 138a Sr. Het arrest van het hof blijft in stand en het cassatieberoep wordt verworpen.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 138a Sr en bevestigt dat kraken ook strafbaar is wanneer rechtmatig gebruik door de rechthebbende is beëindigd door opzegging, ongeacht voortgezet feitelijk gebruik.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.