Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen dat was gericht tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 september 2016. De procedure betreft een civiele kwestie tussen eiser en Royal Bank of Scotland (RBS), waarbij meerdere eerdere vonnissen en arresten aan de orde zijn geweest, waaronder eerdere uitspraken van de Hoge Raad uit 2012 en 2014.
De Hoge Raad verwijst naar een uitgebreide procesgeschiedenis met diverse vonnissen van de kantonrechter Amsterdam, arresten van het gerechtshof Amsterdam en Den Haag, en eerdere Hoge Raad-arresten. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser heeft gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. De Hoge Raad veroordeelt eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Deze uitspraak bevestigt daarmee de eerdere rechtspraak en sluit de procedure af met een verwerping van het beroep van eiser.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.