Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over het voorhanden hebben van een ingekort luchtdrukgeweer, in strijd met artikel 13.1 van de Wet Wapens en Munitie (WWM).
De Hoge Raad oordeelt dat het middel van cassatie niet tot cassatie kan leiden, omdat het geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hof heeft een passage in het tenlastegelegde onderdeel als niet essentieel beschouwd en verdachte daarvan vrijgesproken, zonder dat dit onverenigbaar is met de bewoordingen van het tenlastegelegde.
Daarnaast is het oordeel van het hof dat het voorhanden hebben van een ander wapen niet bewezen is, niet onredelijk. De specificatie in het tenlastegelegde kan als nadere precisering worden gezien, waarvan partieel kan worden vrijgesproken. De verdediging kon deze lezing niet als verrassing ervaren.
Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 17 april 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het voorhanden hebben van een ingekort luchtdrukgeweer.