Conclusie
1.Het cassatieberoep
- 1 “bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”;
- 3 “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, terwijl het feit opzettelijk is begaan door een rechtspersoon, terwijl hij, verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging” en
- 4 subsidiair “medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid”.
Het eerste middelhoudt in dat ten aanzien van feit 1 onder B) (het onttrekken van een bedrag van € 1.929.240 aan de boedel) niet op grondslag van de tenlastelegging is beslist dan wel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
Het tweede middelbevat de klacht dat de weerlegging van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gevoerd ten aanzien van feit 1 onder B) niet begrijpelijk is.
Het derde middelhoudt in dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van feit 1.
Het vierde middelbehelst een rechtsklacht met betrekking tot het verdichten van een last als vorm van bedrieglijke bankbreuk als bedoeld in art. 341 (oud) Sr en bewijsklachten die zien op de feiten 1 onder C) (over de vestiging van een hypotheekrecht ad ruim € 422.750,- zonder tegenprestatie) en 4. (het doen van een valse opgave in de daarop betrekking hebbende hypotheekakte).
Het vijfde middelbevat klachten tegen de bewezenverklaring van feit 1 onder D) (het onttrekken van de opbrengst van de verkoop van een auto aan de boedel) en over de weerlegging van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien daarvan.
Het zesde middelhoudt in dat het hof ten onrechte niet heeft gereageerd op een herhaald getuigen- en aanhoudingsverzoek, en dat de afwijzing van een eerder getuigenverzoek onbegrijpelijk is.
Het zevende middelricht zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het onder feit 3 bewezen verklaarde feitelijk leiding geven aan het opzettelijk doen van een onjuiste belastingaangifte.
2.Het eerste middel
Overweging met betrekking tot het bewijs
- [E] BV;
- [C] BV;
- [G] BV;
- [L] BV;
- [I] BV;
- [H] BV;
- [D] BV;
- [M] BV;
- [F] BV.
- De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [J] BV.
- Feit 1 onder B
3.Het tweede middel
4.Het derde middel
5.Het vierde middel
Verkoop resultaat [B] BV’ (€ 646.933,-, nl € 119.000,- + € 100.000,- + € 427.933,-).
De last die verdicht wordt, de schuld die wordt aangegaan, is dus geen schuld van de BV[onderstr.
AG TS]. Bovendien treden vervreemder en verkrijger daarbij ook niet op als bestuurder van de BV. Indien het geldbedrag dat de katvanger ontving voor het overnemen van de aandelen en het bestuurderschap van de BV is betaald uit de boedel van de BV, is een veroordeling van de vervreemder ex art. 343 aanhef Pro en onder 1 Sr of art. 341 sub a aanhef Pro en onder 1 jo. 51 lid 2 onder 2 Sr (onttrekken van een goed aan de boedel) wel mogelijk. De katvanger kan dan als deelnemer worden bestraft.” [10]
De vordering kan ook om die reden niet als grond voor hypotheekgeving door [O] B V aan [L] B V dienen.
6.Het vijfde middel
Met betrekking tot feit 1D
7.Het zesde middel
Nadere onderzoekswensen
Het oordeel van het hof
Subsidiair met betrekking tot feit 3
8.Het zevende middel
Feit 3
Feit 3