Conclusie
5. Waardering van het bewijs
Inleiding
Vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair onder feit 3 tenlastegelegde (documentenfraude)
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Overnemen bewijsmiddelen uit vernietigd vonnis
BFK: weergave Bijlage VII formulier)
BFK: weergave Bijlage VII formulier)
BFK: weergave Bijlage VII formulier)
BFK: weergave Bijlage VII formulier)
BFK: weergave Bijlage VII formulier)’
BFK: tabel met informatie over de overbrenging)
BFK: tabel met informatie over de overbrenging)
BFK: tabel met informatie over de overbrenging)
BFK: tabel met informatie over de overbrenging)
BFK: tabel met informatie over de overbrenging)
Wettelijk kader
Wet milieubeheer (hierna: Wm)
(hierna: EVOA)
a)tussen een land en een ander land;
e)dat resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving.
(hierna: KRA).
“the person who arranges the shipment"en de handelaren feitelijk het transport hebben geregeld, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel. Volgens punt 18 van de preambule zijn de afvalproducenten verantwoordelijk voor een milieuhygiënisch afvalbeheer en zijn zij degenen die de kennisgevings- en vervoersdocumenten voor overbrenging van afvalstoffen waar mogelijk moeten invullen.
"en/of in strijd met de in artikel 18 van Pro de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen (1013/2006/EG) verplichte voorschriften". De advocaat-generaal merkt op dat zij de vordering wijziging tenlastelegging gisteren ook naar het hof en de verdediging heeft verzonden per e-mailbericht.
bijlage VII-formulierenen de contracten relevant. Voor de vraag wie handelt is tevens relevant wie de in artikel 18 genoemde Pro
opdrachtgeveren de
ontvangeris.
de ontvangerzal zorgen voor aan andere nuttige toepassing als de overbrenging niet lukt zoals bedoeld was, maar de verplichting is dat de opdrachtgever de afvalstoffen terugneemt. Die verplichting kan wettelijk niet omzeild worden in een overeenkomst tussen partijen.
Nietigheid dagvaarding
De tenlastelegging (...) op geen enkele wijze duidelijk(maakt)
welke feitelijke betekenis zij toekent aan de aan de EVOA ontleende termen‘verwijdering'
en‘nuttige toepassing’" en of en zo ja, in strijd met welke communautaire regelgeving of internationale regelgeving zou zijn gehandeld.
waarom het enkele feit dat... overbrenging/verplaatsing zou hebben plaatsgevonden "naar een niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen" zou hebben geresulteerd in- niet feitelijk omschreven
- "verwijdering"... dan wel... "nuttige toepassing"."
verwijdering" als het begrip "
nuttige toepassing" zijn gedefinieerd in de EVOA. Voor toepassing van de EVOA wordt verstaan onder "
verwijdering": "
een handeling als omschreven in artikel 1 lid 1 onder Pro e van Richtlijn 2006/12/EG" (artikel 2, aanhef en sub 4 EVOA).
Nuttige toepassing" duidt op: "een handeling als omschreven in artikel 1 lid 1 onder Pro f van Richtlijn 2006/12/EG." (artikel 2, aanhef en sub 6 EVOA) (onderstreping toegevoegd).
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
De vermelding onder ‘e’ [(‘e) dat resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving’]is immers een begripsbepaling die elke verwijdering of nuttige toepassing (met andere worden elke vorm van afvalbeheer: behalve vermijden van afval is een afvalverwerking immers noodzakelijkerwijs ofwel nuttige toepassing, ofwel verwijdering) in overtreding van internationale en/of Europese wetgeving als ‘illegale overbrenging' kwalificeert.
''opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd'.
nu die overbrenging(en) (telkens) plaatsvond(en) naar een niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen".
niet vergunde inrichting of onderneming in Litouwen” lijkt afkomstig te zijn uit art. 37 lid 4 van Pro de EVOA.
Dat maakt dat de export naar Litouwen in strijd kwam met artikel 37 onderdeel Pro 4 EVOA.”
Bij uitvoer van afvalstoffen vindt de nuttige toepassing plaats in een inrichting die conform de toepasselijke nationale wetgeving in het land van invoer geëxploiteerd wordt of mag worden."
TITEL IVEVOA en ziet op 'uitvoer uit de Gemeenschap naar derde landen’.
die geen Lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en ontwikkeling.
Litouwen isreeds sinds het Litouwse EU Lidmaatschap vanaf 2004 gecapteerd door het Aanvullende Protocol van 14 december 1960 bij het Verdrag inzake oprichting van de OESO, dat de status van de EU bij de OESO regelt.
„uitvoer”: het doen verlaten van afvalstoffen van de Gemeenschap, echter met uitzondering van doorvoer via de Gemeenschap". Van ‘uitvoer’ is in casu evident geen sprake. Litouwen is immers lid van 'de Gemeenschap’. Het asfaltgranulaat heeft de Gemeenschap nooit verlaten (en doorvoer is niet aan de orde).
Hij stelt vast dat zowel de tenlastelegging als de uitspraak van de Rechtbank een strafrechtelijke aansprakelijkheid funderen op een wetsartikel dat niet van toepassing is op de onderhavige overbrenging.
[medeverdachte 2] en [verdachte]
Verjaring
Feit 1
Achtergrond, feiten en omstandigheden
Bewijsverweren
Geen strijd communautair of internationaal recht
niet een verplichting bevat voor deontvangervan groene-lijststoffen om te beschikken over een vergunning. Evenmin is in de EVOA een verplichting opgenomen voor deoverbrengerdat groene-lijststoffen alleen mogen worden afgegeven aan een ontvanger die over een vergunning beschikt.
kennisgevingsprocedure (in geval dat het geen groene lijst afvalstof is, wat niet aan de orde is). In die procedure is daarbij vereist, dat bewijs van de vergunning wordt geleverd. Zie hiervoor bijvoorbeeld Bijlage II deel 1 sub 5 EVOA. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat afvalstoffen in de kennisgevingsprocedure alleen mogen worden afgegeven aan een vergunninghouder, anders is de verplichting tot verstrekking van bewijs van een dergelijke vergunning zinledig. Een kennisgevingsprocedure is hier niet aan de orde en daarmee ook de vergunningsplicht niet.
uitvoervan afvalstoffen, de nuttige toepassing van de afvalstoffen plaats te laten vinden in een inrichting die conform de nationale wetgeving geëxploiteerd mag worden. Echter, er is, zoals uitgelegd, geen sprake van uitvoer van afvalstoffen; er is sprake van overbrenging van afvalstoffen naar een lidstaat van de Europese Unie. Ik verzoek u hetgeen ik op dit punt heb bepleit in het kader van de nietigheid van de dagvaarding, feit 1, hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
Als het in casu gaat om afvalstoffen (wat naar mijn deskundige mening niet het geval is), dan gaat het in ieder geval niet om gevaarlijke afvalstoffen, zodat derhalve ook deze vergunningsvermelding in casu niet toepasselijk is en in casu niet kan leiden tot een bevinding van schending van een vergunningsplicht.” (onderstreping aangebracht).
Tussenconclusie
[medeverdachte 3] VOF geen opdrachtgever
als opdrachtgever voor de overbrenging van afvalstoffen’heeft gehandeld in strijd met artikel 2 onder Pro 35 sub e EVOA.
'the personae) who arranges the shipment’.
in of omstreeks de periode van 17 tot en met 31 juli 2009” is vrijspraak dan ook op zijn plaats, in die periode trad [A] immers op “
als opdrachtgever voor de overbrenging” en niet [medeverdachte 3] VOF, zoals tenlastegelegd.
onder de rechtsmacht van het land van verzending vallende opdrachtgevervoor de bijlagen VII zorgt, inhoudt, dat die opdrachtgever in Nederland gevestigd dient te zijn. De officier van justitie stelt zich kennelijk op het standpunt, dat buitenlandse(rechts)personen niet onder Nederlandse rechtsmacht kunnen vallen.
óf
Tussenconclusie
Geen bewijs nuttige toepassing of verwijdering
verwijderingof in een
nuttige toepassing.
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3
'dat de vermeldingen zoals die in de bijlagen VII in de vakken 1, 7 en 8 zijn gedaan valselijk of in strijd met de waarheid zijn gebeurd'’. Bovendien zou het onder 3 tenlastegelegde ook het verwijt omvatten ‘dat de vakken 1, 7 en/of 8 in de bijlage Vll-documentatie onjuist waren c.q. niet de juiste specificatie van de overbrenging inhielden (het subsidiaire verwijt, dat aan iedere opzet-eis is onttrokken)’.
Allen t. Verenigd Koninkrijk, waarin het EHRM overwoog: ‘
the presumption of innocence means that where there has been a criminal charge and criminal proceedings have ended in an acquittal, the person who was the subject of the criminal proceedings is innocent in the eyes of the law and must be treated in a manner consistent with that innocence. To this extent, therefore, the presumption of innocence will remain after the conclusion of criminal proceedings in order to ensure that, as regards any charge which was not proven, the innocence of the person in question is respected’. [23]
Allen t. Verenigd Koninkrijkin wanneer ‘
criminal proceedings have ended in an acquittal’. Bemelmans leidt uit rechtspraak van het EHRM af dat de onschuldpresumptie geldt ‘
in the absence of a final conviction’. [24] Dat brengt mee dat de onschuldpresumptie na een veroordeling in eerste aanleg ook in hoger beroep en in cassatie van toepassing is. Het brengt, meen ik, ook mee dat de onschuldpresumptie geen effect sorteert voor zover partiële vrijspraken van de rechter in eerste aanleg zien op een feit (in de zin van art. 68 Sr Pro) dat aan het oordeel van de rechter in hoger beroep wordt onderworpen. Ik wijs er in dit verband op dat ook het ne bis in idem-beginsel rechtsbescherming koppelt aan een onherroepelijke vrijspraak. Art. 4, eerste lid, van het Zevende Protocol luidt: ‘
No one shall be liable to be tried of punished again in criminal proceedings under the jurisdiction of the same State for an offence for which he has already been finally acquitted or convicted in accordance with the law and penal procedure of that State’. [25]
acquittal’ die in de weg staat aan oordeelsvorming door het hof over de feiten 1 en 2. Daaraan doet niet af dat de tenlastelegging van feit 3 subsidiair, net als die van feit 1, was toegespitst op art. 10.60, tweede lid, Wet milieubeheer en art. 2, onder 35, EVOA en zag op dezelfde vijf transporten van asfaltgranulaat van Nederland naar Litouwen in de tweede helft van 2009.
not only of the cause of the accusation, that is to say the acts he is alleged to have committed and on which the accusation is based, but also the legal characterisation given in those acts’. [32] Centraal staat of de informatie die de verdachte over de beschuldiging heeft verkregen, hem in staat stelt zich te verdedigen inzake de feiten waarvoor hij is veroordeeld. [33]
ontvangervan groene lijst-stoffen om te beschikken over een vergunning’ (randnummer 206). Dat de raadsvrouw, aanvullend op de vaststelling dat art. 37, vierde lid, EVOA niet van toepassing is, aanvoert dat ook ‘anderszins’ strijd met communautaire of internationale regelgeving niet kan worden vastgesteld (randnummer 221), betekent evenmin dat zij de bewijsconstructie van het hof als mogelijkheid heeft voorzien. Ik teken daarbij aan dat het niet de taak van de raadsvrouw is het hof op gedachten te brengen, maar de verdachte te verdedigen tegen de voorliggende beschuldiging.
travaux préparatoiresvan het Verdrag van Bazel een aanwijzing volgt dat er samenhang bestaat tussen het geval van illegale overbrenging respectievelijk sluikhandel onder e en het voorschrift dat aan het importerende land een verantwoordelijkheid toedeelt. [51] Het Verdrag van Bazel is voorbereid door een ‘
working group’die tussen februari 1988 en maart 1989 vijf keer bijeen is geweest. In een document getiteld ‘
Proposal by the ED for consideration by the AHWG at its Fourth Session’ wordt – voor zover ik zie - voor het eerst verwezen naar een ‘
Article VIIIbis – illegal traffic’. Daarin ontbreekt het geval onder e, en staat een verplichting om bij
‘illegal traffic’ de ‘
hazardous wastes’terug te nemen ‘
into the country of export’. In de ‘
Draft Convention on the control of Transboundary Movements of Hazardous Wastes’ van 11 maart 1989, die is opgenomen onder ‘
Fifth Session of the Working Group, Basel, Switzerland, 13-17 March 1989’ontbreekt de e-grond nog steeds, maar is in ‘
Article VIII bis – illegal traffic’een verantwoordelijkheid voor de ‘
country of import’ geformuleerd voor het geval van ‘
a transboundary movement of hazardous wastes deemed to be illegal traffic [solely] as the result of conduct on the part of the importer or disposer’. In een ‘
Proposal by the Executive Director based on recommendations of a group of experts’ voor deze bijeenkomst van 12 maart 1989 is vervolgens een tekstvoorstel voor de e-grond te vinden, dat als ‘
illegal traffic’wilde aanmerken een overbrenging ‘
that results in deliberate disposal (e.g. dumping) of hazardous wastes in contravention of this Convention and of general principles of international law’. De e-grond is derhalve in beeld gekomen (vlak) nadat een verantwoordelijkheid voor de ‘
country of import’ was geformuleerd. [52]
SC Total Waste Recyclingvan het HvJ EU van 26 november 2015. [53] Een vrachtwagen van Total Waste Recycling vervoerde een lading van 8380 ton afvalstoffen behorende tot de ‘oranje’ lijst van afvalstoffen van bijlage IV bij de EVOA. Die vrachtwagen was Hongarije binnengereden bij Nagylak terwijl in het kennisgevingsdocument en de toestemmingen de grensovergang bij Artánd was vermeld. Het HvJ EU overwoog dat art. 17, eerste lid, EVOA aldus moest worden uitgelegd dat de overbrenging van afvalstoffen in het land van doorvoer via een andere grenspost ‘dient te worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging van de bijzonderheden en/of de voorwaarden van een transport waarvoor toestemming is verleend’. De omstandigheid dat de bevoegde autoriteiten niet op de hoogte waren gebracht van die wijziging leidde ertoe ‘dat het een illegale overbrenging van afvalstoffen betreft, aangezien deze „feitelijk niet met de kennisgeving of de vervoersdocumenten overeenstemt” in de zin van artikel 2, punt 35, onder d)’ EVOA. Het HvJ EU stelt derhalve eerst vast dat art. 17, eerste lid, EVOA niet is nageleefd, en oordeelt vervolgens dat de afwijking waar het hier om ging meebrengt dat de overbrenging moet worden gekwalificeerd als ‘illegaal’.
Nutrivetvan het HvJ EU van 9 juni 2016. [54] Bij controle van twee vrachtwagens die op het punt stonden Hongarije binnen te rijden, was gebleken dat zij onder de groene lijst vallend papierafval vervoerden. Geconstateerd werd dat de geleidedocumenten ‘in vak 2 niet de vennootschap vermeldden waarnaar de in geding zijnde afvalstoffen daadwerkelijk zouden worden overgebracht (…) maar een andere, in een andere lidstaat gevestigde vennootschap’. Die laatste vennootschap was wel in vak 7 vermeld ‘als inrichting voor nuttige toepassing’, hoewel zij zich niet bevond in het ‘in vak 11 van dat document vermelde land van bestemming, namelijk Hongarije’. Gelet op die onjuistheden en inconsistenties bleek volgens het HvJ EU dat de geleidedocumenten ‘als zodanig niet konden verzekeren dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overbrengingen van afvalstoffen werden gevolgd’ (par. 38). Aan die conclusie deed niet af ‘dat de in het geleidedocument verplicht te vermelden informatie correct is vermeld in andere documenten die ter beschikking van de bevoegde autoriteiten zijn gesteld’ (par. 40).
CILFITmee dat een prejudiciële vraag dient te worden gesteld die op de uitleg van deze formulering betrekking heeft, tenzij zich het geval voordoet dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. [55] Naar het mij voorkomt kan er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat het door het hof vastgestelde handelen in strijd met art. 18, eerste en tweede lid, EVOA niet meebrengt dat sprake is van een overbrenging die ‘resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving’. De redactie van art. 2, onder 35, EVOA, de achtergrond en de systematiek van deze bepaling wijzen in andere richting.
CILFITiets heeft versoepeld. In het arrest
Consorzio Italian Managementheeft het HvJ EU onder meer overwogen dat het feit dat een bepaling van Unierecht ‘op een andere manier of op meerdere, verschillende manieren kan worden gelezen’ niet volstaat ‘om aan te nemen dat er redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van die bepaling wanneer geen van deze verschillende lezingen voor de betrokken nationale rechter voldoende aannemelijk lijkt, met name gelet op de context en het doel van die bepaling en de regeling waarvan zij deel uitmaakt’. [56]
Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus) speelde de vraag of ‘ganggesteente’ dat bij de exploitatie van een steengroeve vrijkwam een afvalstof was. [67] Het HvJ EG overwoog (kort gezegd) dat er geen rechtvaardigingsgrond was om de bepalingen van Richtlijn 75/442/EEG toe te passen op ‘goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien, de waarde van producten hebben’, maar ‘deze redenering met betrekking tot bijproducten’ moest worden beperkt ‘tot situaties waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces’ (par. 35 en 36).
ARCO Chemie Nederland e.a.) was onder meer aan de orde of in de vorm van spaanders aangeleverde houtresten die van bouw- en sloopwerkzaamheden afkomstig waren en die na bewerking tot poederhout bestemd waren om als brandstof te worden ingezet bij de opwekking van elektriciteit, afvalstoffen vormden. [68] Daarbij was aangevoerd dat het bouw- en sloopafval reeds een in een bijlage II B bij richtlijn 75/442/EEG omschreven handeling had ondergaan. Het HvJ EG overwoog dat een voltooide nuttige toepassing een voorwerp niet noodzakelijkerwijs de hoedanigheid van afvalstof ontneemt. Nu de bewerking het hout niet van giftige impregneerstoffen zuiverde had zij niet tot gevolg ‘dat die voorwerpen een aan een grondstof gelijkwaardig product worden’ (par. 96).
Porr Bau) als volgt worden samengevat. [72] De kwalificatie als ‘afvalstof’ hangt vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van ‘zich ontdoen van’. Dat laatste begrip mag mede in het licht van de doelstelling van Richtlijn 2008/98/EEG niet restrictief worden uitgelegd. Bij het onderzoek of sprake is van een afvalstof moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, waarvan sommige een aanwijzing kunnen zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich te ontdoen van een stof of voorwerp. Een van die omstandigheden is het feit dat de stof een productie- of consumptieresidu is. De methode van behandeling of wijze van toepassing van een stof is niet doorslaggevend voor de kwalificatie als afvalstof. En het begrip ‘afvalstof’ sluit niet stoffen of voorwerpen uit die geschikt zijn voor economisch hergebruik. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de omstandigheid dat de stof of het voorwerp voor de houder geen nut (meer) heeft, zodat deze stof of dit voorwerp een last is waarvan hij zich wil ontdoen. De mate waarin het waarschijnlijk is dat een stof of voorwerp wordt hergebruikt zonder voorafgaande bewerking is een relevant criterium om te beoordelen of het om een afvalstof gaat.
(ARCO Chemie Nederland e.a.) kan worden afgeleid dat stoffen en voorwerpen kunnen ophouden een afvalstof te zijn wanneer de nuttige toepassing is voltooid waardoor ‘de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen’. Uit een arrest van 19 juni 2003 (
Mayer Parry Recycling), dat zag op metalen verpakkingsafval, volgt dat van afval geen sprake meer is wanneer het is omgevormd ‘tot een nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen’. [79] Daarvan is sprake als het metalen verpakkingsafval is verwerkt tot blokken, platen of rollen van staal.
Mayer Parry Recyclingen de arresten van Uw Raad inzake anodeslib en samengeperst oud papier om een onvoltooid bewerkingsproces van een afvalstof. En het asfaltgranulaat is, anders dan in uitspraken van de Afdeling over vliegas en fluxolie, geen stof die de verdachte welbewust produceert om deze onder economisch gunstige omstandigheden te verhandelen.
ARCO Chemie Nederland e.a.heeft overwogen dat ‘zelfs wanneer een afvalstof een handeling heeft ondergaan waarmee de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen, zulks niet wegneemt dat die stof als een afvalstof kan worden aangemerkt, wanneer, gelet op de omschrijving van artikel 1, sub a, van de richtlijn, de houder zich ervan ontdoet, voornemens is zich ervan te ontdoen of zich ervan moet ontdoen’ (par. 94). Het hof heeft, zo bleek bij de eerste deelklacht, uit de bewijsmiddelen afgeleid en kunnen afleiden dat de bedrijven van verdachte zich van het asfaltgranulaat hebben ontdaan.
Lapin) is het HvJ EU ingegaan op de betekenis van art. 6 van Pro Richtlijn 2008/98/EG in zaken waarin geen specifieke criteria zijn vastgesteld. [91] Voormalige telefoonpalen die met een CCA-oplossing waren behandeld, werden gebruikt om smalle houten bruggen aan te leggen om het ‘quads’ gemakkelijker te maken om vochtige gebieden buiten het winterseizoen te doorkruisen (in Lapland). De verwijzende rechter ging, aldus het HvJ EU, uit van de premisse dat (kort gezegd) deze telefoonpalen afvalstoffen zijn en dat hun nieuwe bestemming slechts in overeenstemming met de richtlijn is ‘wanneer zij de hoedanigheid van afvalstoffen hebben verloren onder de voorwaarden van art. 6, lid 1, eerste alinea’ van Richtlijn 2008/98/EG, ‘in het bijzonder wanneer het gebruik ervan over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid heeft’. Daar was het HvJ EU het niet mee eens: art. 6, eerste lid, eerste alinea, bepaalt ‘enkel de voorwaarden voor de specifieke criteria op basis waarvan kan worden bepaald welke afvalstoffen niet langer afvalstoffen (…) zijn wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing of recycling hebben ondergaan. Bijgevolg kan louter op basis van dergelijke voorwaarden niet rechtstreeks worden vastgesteld dat bepaalde afvalstoffen niet langer als afvalstoffen hoeven te worden beschouwd’. [92]