Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
b. Belgische verblijfskaart versus Nederlandse ongewenstverklaring
PbEG L 158).
ongewenstverklaringin strijd is met het Unierecht. In die benadering is het moeilijk om een terminologisch onderscheid te maken tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke ‘gelding’ van het besluit en, in het verlengde daarvan, tussen de vraag of de totstandkoming van het besluit in strijd was met het Unierecht en de vraag of de ‘strafrechtelijke rechtskracht’ op een later moment verloren is gegaan. Maar dat is mogelijk niet de hele verklaring. Ook de invulling die de Hoge Raad geeft aan het leerstuk van de formele rechtskracht speelt misschien een rol. Daarover het volgende.
Het besluit tot ongewenstverklaring waarbij is vastgesteld dat de vreemdeling wegens zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, is voorts betrekkelijk kort voordat de vreemdeling heeft geprobeerd Nederland in te reizen genomen. Aldus kon de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling krachtens artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 de toegang weigeren, omdat op dat moment de vaststelling in voormeld besluit tot ongewenstverklaring voldoende actueel was.”
Wat het Nederlandse nationale recht betreft, kan erop gewezen worden dat art. 67 lid 1 onder Pro b Vreemdelingenwet 2000 ongewenstverklaring van een Unieburger mogelijk maakt indien deze “bij onherroepelijk geworden vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd”. Op het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs is een gevangenisstraf van maximaal 2 jaar gesteld (art. 11 lid 2 Opiumwet Pro). Op het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs staat maximaal zes jaar (art. 10 lid 3 Opiumwet Pro). Ik heb geen uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak gevonden die uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking hebben op (eenmalig of veelvuldig) drugsbezit.
5.Moet dit tot cassatie leiden?
www.curia.europa.eu), volgt niet anderszins. Dit arrest betrof, anders dan de onderhavige zaak, burgers van de Unie die van hun recht op vrij verkeer gebruik hadden gemaakt door in een andere lidstaat te verblijven en hun familieleden met de nationaliteit van een derde land die hen begeleidden, dan wel zich bij hen gingen voegen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris had dienen te beoordelen of de vreemdeling een actuele, werkelijk en ernstige bedreiging voor het fundamenteel belang van de samenleving vormt als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn, alvorens tot ongewenstverklaring van de vreemdeling over te gaan.”