Uitspraak
1.Geding in cassatie
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de beoordeling van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van verklaringen van een kroongetuige met wie een afspraak was gemaakt op grond van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld mede op basis van deze verklaringen. De Hoge Raad benadrukte dat de rechter bij het gebruik van dergelijke verklaringen voor het bewijs op straffe van nietigheid de betrouwbaarheid van de verklaring zelfstandig moet motiveren, maar dat het oordeel over de rechtmatigheid van de afspraak door de rechter-commissaris is vastgesteld en de rechter daaraan in beginsel gebonden is.
Het hof had geoordeeld dat de verklaringen betrouwbaar waren omdat ze consistent waren en bevestigd werden door technische bevindingen, aangiften en verklaringen van medeverdachten. De verdediging had de rechtmatigheid van de afspraak niet betwist. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid en rechtmatigheid voldoende gemotiveerd en verwierp de middelen die dit betoogden.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 16 jaar naar vijftien jaar en vijf maanden. De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot cassatie.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en beperkte de straf tot vijftien jaar en vijf maanden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd tot vijftien jaar en vijf maanden wegens termijnoverschrijding; het gebruik van de kroongetuigenverklaring is rechtmatig en betrouwbaar bevonden.