Deze zaak maakt deel uit van het Passageproces, waarin meerdere verdachten zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven, waaronder liquidaties. De verdachte is veroordeeld tot vijf jaar en zes maanden gevangenisstraf voor wapendelicten, waaronder het voorhanden hebben, overdragen en verhandelen van vuurwapens en munitie in strijd met de Wet wapens en munitie.
Centraal in het cassatieberoep stonden de kroongetuigenovereenkomsten die het Openbaar Ministerie met twee getuigen sloot. De verdachte stelde dat toezeggingen aan kroongetuigen onrechtmatig waren, met name dat toezeggingen met betrekking tot ontnemingsvorderingen en feitelijke bescherming niet binnen het wettelijke kader vielen. De Hoge Raad analyseerde uitgebreid de wettelijke regeling omtrent kroongetuigen, waaronder art. 226g Sv en art. 44a Sr, en bevestigde dat toezeggingen beperkt zijn tot strafvermindering en dat toezeggingen over ontnemingsvorderingen en feitelijke bescherming niet als onderdeel van die afspraken gelden.
De rechter-commissaris toetst de rechtmatigheid van de afspraken, en de zittingsrechter bepaalt de bewijskracht van de verklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van kroongetuigen binnen de wettelijke kaders zijn gebruikt en dat de motivering van het hof voldoende is. Daarnaast werd geoordeeld dat het niet bekendmaken van bepaalde verklaringen (de zogenoemde kluisverklaringen) een vormverzuim vormde, maar dat dit verzuim voldoende was hersteld en niet leidde tot bewijsuitsluiting.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand, waarmee de veroordeling definitief is geworden.