Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof de overeenkomst van het openbaar ministerie met een getuige aan wie een toezegging is gedaan (art. 226g Sv) niet althans onvoldoende heeft getoetst aan beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het
tweedemiddel klaagt dat het hof niet althans onvoldoende een oordeel heeft geveld over de betrouwbaarheid van de verklaringen van een getuige aan wie een toezegging is gedaan ex art. 226g Sv. Beide middelen zijn gezamenlijk toegelicht en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Kamerstukken II1998/99, 26 294, nr. 3, p. 16); ‘Om te benadrukken dat het gebruik van een verklaring die met behulp van een toezegging is verkregen extra behoedzaamheid en zorgvuldigheid vergt, is een aanvullend bewijsminimumvoorschrift opgenomen in artikel 344a Sv. en een motiveringsvereiste toegevoegd aan artikel 359, vierde lid Sv. Aan artikel 344a is toegevoegd dat de bewezenverklaring niet uitsluitend mag berusten op verklaringen van getuigen aan wie volgens de hier voorgestelde procedure een toezegging door de officier van justitie is gedaan. In artikel 359, vierde lid, is opgenomen dat het gebruik als bewijsmiddel van een verklaring die met behulp van een toezegging is verkregen afzonderlijke motivering behoeft. De NVvR heeft opgemerkt dat vooral van belang is dat de rechter die een getuigenverklaring, verkregen met behulp van een toezegging op grond van 226g, als bewijsmiddel bezigt, in het vonnis opneemt waarom hij deze verklaring betrouwbaar acht. Ik onderschrijf dit belang en stel voor artikel 360 daartoe Pro aan te vullen’ (
Kamerstukken II1998/99, 26 294, nr. 3, p. 17-18).
Kamerstukken II1991/92, 22 483, nr. 3, p. 39; HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:723). Bij de bedreigde getuige daarentegen is aan de ambtshalve motiveringsplicht voldaan als de rechter heeft laten blijken zelfstandig de betrouwbaarheid van diens verklaring te hebben onderzocht (HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757,
NJ2007/543 m.nt. Buruma).
Kamerstukken II2015/16, 29 279, nr. 278, p. 6). Een benadering die de omvang van een verplichting tot motivering afhankelijk stelt van wat is aangevoerd, biedt daarbij voordelen bij het afgrenzen van die motiveringsplicht. De in het navolgende te bespreken klachten die in de toelichting op dit middel zijn vervat illustreren dat.
derdemiddel klaagt dat het arrest van het hof niet de redenen bevat die ertoe hebben geleid dat de beslissing van het hof afwijkt van een uitdrukkelijk door de verdediging onderbouwd standpunt over de inhoud van de aangifte van [slachtoffer] . Deze aangifte betreft het hiervoor onder 1 aangeduide feit: zaak A onder 1 primair en zaak A onder 2.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde
[slachtoffer]:
[betrokkene 1] :
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2014.
[medeverdachte 3]:
drive by,gif etc, zodat zij het idee kregen dat ik professioneel was. [verdachte] heeft mij dit allemaal in de auto verteld. Halverwege dat gesprek was de batterij leeg en begon dat apparaat te piepen. Ik ben toen naar buiten gelopen en heb gezegd dat mijn pieper ging. Na dit tweede gesprek verstreek er wat tijd. Vervolgens gaven [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan dat het probleem [slachtoffer] nog niet was opgelost. Ik heb dat gehoord van [medeverdachte 2] bij zijn kantoor, toen wij daar buiten liepen. [verdachte] besloot toen om [betrokkene 1] (het hof begrijpt hier en hierna: [betrokkene 1] ) in te schakelen voor deze klus. [betrokkene 1] was wel in voor deze klus. Hij zei dat hij wel dingen had gedaan die gekker waren. Er moest weer een plan bedacht worden. [verdachte] had van [medeverdachte 1] of van [medeverdachte 2] foto’s en adressen gekregen van [slachtoffer] . [betrokkene 1] moest het huis van [slachtoffer] zien. [verdachte] en ik zijn met [betrokkene 1] naar dat huis in Gouda gereden. [verdachte] heeft het huis daar aangewezen. Ik moest van [verdachte] een auto regelen voor [betrokkene 1] . Het vuurwarpen was van [verdachte] . Het wapen lag bij mij thuis. Ik had het op zolder liggen. Ik moest het van [verdachte] bewaren. Ik heb in het dossier een foto gezien en dit is inderdaad het wapen waarmee de aanslag op [slachtoffer] is gepleegd. Ik heb dit wapen thuis gehad en [verdachte] heeft het bij mij thuis aan [betrokkene 1] overhandigd.
[medeverdachte 3]:
IBN-CODE OMSCHRIJVING GOEDEREN
[verdachte] :
waarschuwing,een
dreigement.
preciesde bedoeling van cliënt zijn geweest, Voorzitter. [slachtoffer] moest vrees aangejaagd worden, echter nog wel in staat zijn om aangifte te doen, zodat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met de bandopname succesvol afgeperst konden worden. De aan het incident voorafgaande bandopname ondersteunt het motief tot afpersing: de bestanden ‘ [bestand 1] ’ en ‘ [bestand 2] ’ zijn door cliënt samen met [medeverdachte 3] opgenomen met het oogmerk tot afpersing van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .”
NJ2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4).
vierdemiddel voert aan dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen in zaak A onder 1 primair terwijl deze bewezenverklaring berust op onderling tegenstrijdige bewijsmiddelen: ‘De aangever (bewijsmiddel 1) verklaart niets over een vuurwapen dat niet functioneerde. Hij verklaart dat de man het pistool met zijn linkerhand pakte en op hem probeerde te richten, waarna hij hard om help begon te roepen en de man wegrende. De aangever verklaart niet dat de persoon de trekker van het pistool heeft overgehaald’. Daarentegen verklaart de kroongetuige ‘dat hij met zijn rechterhand een vuurwapen uit zijn tas pakte en vervolgens dit wapen richtte op de borst van aangever (bm 4). Althans hij denkt dat hij het wapen op het bovenlichaam van de aangever heeft gericht, het ging allemaal zo snel (bm 5). Hij haalde vervolgens de trekker van het vuurwapen over, waarbij het wapen weigerde. Daarna heeft hij het wapen opgeborgen en is gevlucht’.
vijfdemiddel klaagt dat in cassatie geen behandeling van de strafzaak van de verdachte binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.