ECLI:NL:HR:2018:646

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
19 april 2018
Zaaknummer
17/01235
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1019w Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat assuradeur niet kan terugkomen op buitengerechtelijke aansprakelijkheids-erkenning na onderzoek en deelgeschilprocedure

In deze zaak stond centraal of een assuradeur, die buitengerechtelijk aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot aan de benadeelde heeft betaald, nog kon terugkomen op die erkenning na nader onderzoek naar de toedracht, een voorlopig getuigenverhoor en een deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w Rv.

De zaak betrof een geschil tussen eiseres en Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., waarbij eiseres beroep in cassatie instelde tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Het hof had de aansprakelijkheid van de verzekeraar bevestigd. Nationale-Nederlanden had verweer gevoerd en eiseres had gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat het beroep verworpen moest worden. De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 RO Pro en stelde dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad veroordeelde eiseres tot betaling van de kosten van het geding in cassatie, waarbij de kosten aan de zijde van Nationale-Nederlanden werden begroot op een totaal van €4.872,34, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vijf raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de assuradeur niet kan terugkomen op de buitengerechtelijke erkenning van aansprakelijkheid.

Uitspraak

20 april 2018
Eerste Kamer
17/01235
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
1. NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey,
2. [verweerder 2] , als de (enige) erfgenaam van [betrokkene 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], Nationale-Nederlanden en [verweerder 2].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/09/431869/HA ZA 12-1371 van de rechtbank Den Haag van 3 juli 2013 en 6 november 2013;
b. het arrest in de zaak 200.142.220/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Nationale-Nederlanden heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
Tegen [verweerder 2] is verstek verleend.
De zaak is voor Nationale-Nederlanden toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 1 maart 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 2.672,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan, en aan de zijde van [verweerder 2] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
20 april 2018.