Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Den Haag,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een assuradeur, die buitengerechtelijk aansprakelijkheid heeft erkend en een voorschot aan de benadeelde heeft betaald, nog kon terugkomen op die erkenning na nader onderzoek naar de toedracht, een voorlopig getuigenverhoor en een deelgeschilprocedure op grond van artikel 1019w Rv.
De zaak betrof een geschil tussen eiseres en Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., waarbij eiseres beroep in cassatie instelde tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Het hof had de aansprakelijkheid van de verzekeraar bevestigd. Nationale-Nederlanden had verweer gevoerd en eiseres had gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat het beroep verworpen moest worden. De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 RO Pro en stelde dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
De Hoge Raad veroordeelde eiseres tot betaling van de kosten van het geding in cassatie, waarbij de kosten aan de zijde van Nationale-Nederlanden werden begroot op een totaal van €4.872,34, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig betaald. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vijf raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de assuradeur niet kan terugkomen op de buitengerechtelijke erkenning van aansprakelijkheid.