Conclusie
1.Inleiding
second opinion). De laatste twee vragen komen enkel in beeld bij een eventueel negatief oordeel. Mocht het beding inderdaad oneerlijk zijn: wat zijn daarvan dan de consequenties? Wat is in dat geval, bijvoorbeeld, de status van reeds op basis van het beding tot stand gekomen rapportages?
Protocol bij claim op individuele arbeidsongeschiktheidsverzekeringenvan het Verbond van Verzekeraars zijn uitgangspunten vastgelegd voor de claimbehandeling, onder meer voor de wijze waarop de mate van arbeidsongeschiktheid bij een verzekerde wordt vastgesteld en over de mogelijkheid voor hem om daartegen bezwaar te maken. [6] Desondanks verschillen de bedingen die in de praktijk worden gehanteerd, onderling overigens soms op niet onbelangrijke punten van elkaar, hetgeen wellicht kan verklaren dat de vraag of zij oneerlijk zijn soms bevestigend, [7] maar soms ook ontkennend [8] is beantwoord. Bij eerste beschouwing van de betrokken feitenrechtspraak lijkt het antwoord onder meer af te hangen van de vraag of de verzekerde inspraak heeft bij de benoeming van de deskundige, of hij bezwaar kan maken tegen de inhoud en wijze van totstandkoming van diens rapportage en of hij recht heeft op een eventuele contra-expertise. De prejudiciële vragen zien, zo blijkt uit de al aangeduide vraag 3, mede op het gewicht dat moet worden toegekend aan het bestaan van dergelijke mogelijkheden bij de beoordeling of het beding als oneerlijk heeft te gelden.
second opiniondaarbij van belang is (onder 8.) Daarna worden de bewijsrechtelijke consequenties uitgewerkt (onder 9.). Ten slotte volgt na het formuleren van antwoorden op de prejudiciële vragen (onder 10.) de conclusie (onder 11.).
2.Feiten
5. Welke diagnose stelt u?
Conclusie:
3.Procesverloop
Banco Español de Crédito) en EU 21 december 2016, C-154/15, C-307/15, C-308/15, ECLI:EU:C:2016:980 (
Naranjo), alsmede twee arresten in dezelfde zaak van hof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2316 (tussenarrest) en 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6941 (eindarrest) (
X/Achmea). Ingeval een nieuwe deskundige door de rechtbank zal worden benoemd, behoort die geen kennis te nemen van de verzekeringsgeneeskundige rapportages van [betrokkene 7] , noch van de daarop gebaseerde arbeidsdeskundige rapportages en medische adviezen, nu die rapportages onrechtmatig tot stand zijn gekomen. Tegen gebruik van de eveneens eenzijdig opgestelde rapportage van [betrokkene 3] heeft [eiser] geen bezwaar; met de inhoud daarvan kan hij zich verenigen. Eventuele bewijsproblemen als gevolg van het buiten beschouwing laten van eerdere rapportages dienen voor rekening en risico van Nationale-Nederlanden te blijven, omdat zij tot op heden heeft verzuimd op juiste wijze de arbeidsongeschiktheid vast te stellen, aldus [eiser] .
enigeverklaring voor zijn vermoeidheidsklachten is, is op basis van de informatie niet vast te stellen.”
4.Maatschappelijke achtergrond en verzekeringspraktijk
Publiek- en privaatrechtelijke regimes bij arbeidsongeschiktheid
De Nederlandse verzekeringspraktijk
5.Richtlijn 93/13/EEG: doel, reikwijdte, en toepassing
Doel van de Richtlijn
Toepassingsbereik: het begrip ‘consument’
consumenten. Een consument is volgens art. 2 onder Pro b van de richtlijn iedere natuurlijke persoon die bij onder de Richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. [74] Zijn wederpartij wordt aangeduid als de ‘verkoper’, waaronder wordt verstaan: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze Richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit (art. 2 onder Pro c Richtlijn). [75] Bepalend voor de toepasselijkheid van de Richtlijn is dus de hoedanigheid van de contractuele wederpartij van de verkoper (en niet die van eventuele andere betrokkenen of belanghebbenden). [76] Deze moet, om de bescherming van de Richtlijn te kunnen genieten, ten eerste een natuurlijke persoon zijn, en ten tweede handelen voor doeleinden die gelegen zijn buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit.
Idealservice: [78]
A-G] de consument omschrijft als „iedere natuurlijke persoon” die aan de voorwaarden van deze bepaling voldoet, terwijl in artikel 2, sub c, van de richtlijn in de definitie van het begrip „verkoper” naar zowel natuurlijke als rechtspersonen wordt verwezen.
Costea [79] oordeelde het HvJ EU dat het begrip ‘consument’ een objectief begrip is, zodat niet van belang is over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt. In plaats daarvan moet, aan de hand van alle omstandigheden van het geval, worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan, waarbij het HvJ EU overigens wel enkele omstandigheden in het bijzonder aanduidt:
met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen.” (onderstreping toegevoegd, A-G)
Costeaging het om een advocaat, werkzaam op het terrein van het handelsrecht, die voor privédoeleinden een kredietovereenkomst had gesloten. Het HvJ EU overwoog dat het feit dat de advocaat over relevante kennis en ervaring beschikte niet in de weg stond aan een beroep op de bescherming van de Richtlijn. Volgens het HvJ EU is de zwakkere positie van de consument, waarvoor de Richtlijn beoogt te compenseren, immers niet slechts gelegen in de informatieachterstand van de consument ten opzichte van de verkoper, maar ook in het feit dat hij een zwakke onderhandelingspositie heeft. [80] De kennis en ervaring van de consument in kwestie doen dus niet ter zake. De betrokken advocaat kon derhalve, ondanks zijn relevante kennis, als consument worden aangemerkt, enkel omdat de lening die hij was aangegaan voor privédoeleinden was gesloten. Daaraan deed ook niet af, aldus het HvJ EU, dat hij een aan zijn eenmanszaak toebehorende onroerende zaak als onderpand had gegeven. [81]
Tarcău [82] en
Dumitraş [83] bevestigde het HvJ EU de lijn uit het arrest
Costea. In beide gevallen ging het om een natuurlijke persoon die zich borg had gesteld voor een zakelijke lening aan een bedrijf van een ander. Het HvJ EU formuleerde het criterium uit het
Costea-arrest als volgt:
buitenzijn beroeps- of bedrijfsuitoefening, maar wel
ten behoeve vanzijn beroep of bedrijf, niet als consument wordt gezien. [88] Dat betekent dat de huisarts die stoelen voor de wachtruimte koopt en de slager die zijn winkel laat schilderen geen beroep kunnen doen op consumentenbescherming. Deze benadering zou overeenstemmen met die van het HvJ EU in de hiervoor genoemde arresten. [89] Voorbeelden zoals zojuist gegeven zijn in dat geval ook bruikbaar in de context van de Richtlijn.
Tarcău,zoals hiervoor deels geciteerd (randnummer 5.7), kwalificeerde het HvJ EU het begrip consument als ‘objectief’. Dat betekent, mede gelet op de verwijzing naar het arrest
Costea, in de eerste plaats dat de subjectieve kennis en ervaring van de contractant niet relevant zijn voor de vraag of hij een consument is. Het EU-rechtelijke begrip consument wordt daarnaast ook als objectief gezien in die zin, dat het HvJ EU in de arresten
Costea,
Tarcăuen
Dumitraşaanhaakt bij objectieve factoren als de aard van de overeenkomst zoals die blijkt uit haar bewoordingen, en dus niet bij de subjectieve bedoeling van de contractant. [90]
Toepassingsbereik: niet van toepassing op kernbedingen
Wat ligt ter toetsing voor? Cumulatief effect
Radlingerging het om een kredietovereenkomst die verschillende gevolgen verbond aan een betalingsachterstand: de kredietverstrekker kon onmiddellijke terugbetaling van het gehele resterende bedrag vorderen, maar ook verschillende contractuele boetes, afhankelijk van de duur van de betalingsachterstand. Het HvJ EU oordeelde dat het cumulatieve effect van de verschillende bedingen moet worden beoordeeld, waarbij onverschillig is of alle bedingen ook daadwerkelijk zullen worden ingeroepen. De rechter kan dus niet één beding buiten beschouwing laten, omdat dat in een concreet geval niet is of wordt toegepast; beslissend is of toepassing
mogelijkis: [95]
wat het cumulatieve effect is van alle bedingenvan een overeenkomst tussen een verkoper en een consument. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft (zie naar analogie arrest van 10 september 2014, Kušionová, C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 42).” [onderstreping toegevoegd, A-G]
Haviltex-maatstaf. [98] In het arrest
Chubb/Dagenstaedheeft Uw Raad een op verzekeringsvoorwaarden toegespitste invulling van deze maatstaf gegeven. [99] Het gegeven dat over de voorwaarden normaal gesproken niet is onderhandeld, [100] brengt mee dat een uitleg aan de hand van objectieve factoren aangewezen is. [101] Volgens Uw Raad zijn die factoren met name de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. [102] Deze meer ‘objectieve’ uitleg wordt dus gerechtvaardigd door het feit dat over de voorwaarden niet is onderhandeld. [103]
contra proferentem). [105]
Beoordeling: wanneer is een beding oneerlijk?
Káslermoet de consument in staat zijn te voorspellen welke gevolgen voor hem uit een bepaald beding voortvloeien. In deze zaak
,die betrekking had op een hypotheekovereenkomst, achtte het HvJ EU onder meer relevant de reclame en informatie die door de kredietverlener in het kader van de onderhandelingen over die overeenkomst werden verstrekt. [114] Is, ook met inachtneming van deze aanvullende informatie, onduidelijk welke gevolgen het beding voor de consument heeft, dan prevaleert volgens art. 5 Richtlijn Pro de voor hem meest gunstige uitleg (
contra proferentem).
Beoordeling: een aanzienlijke verstoring van het evenwicht?
Azizheeft het HvJ EU een soort marsroute of ‘stappenplan’ gegeven voor die vergelijking: [115]
met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter bepalen of, en in voorkomend geval, in welke mate de overeenkomst de consument in
een juridisch minder gunstige positieplaatst dan die welke het geldende nationale recht bepaalt. Daarbij is het ook relevant om na te gaan in welke juridische situatie de consument verkeert,
gelet op de middelen waarover hij volgens de nationale regeling beschikt om een einde te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen.
door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld.
alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (reeds aangehaalde arresten Pannon GSM, punt 39, en VB Pénzügyi Lízing, punt 42). Hieruit vloeit in dit verband voort dat ook de gevolgen moeten worden beoordeeld die dat beding kan hebben in het kader van het op de overeenkomst toepasselijke recht, hetgeen een onderzoek van het nationale rechtsstelsel impliceert (zie arrest Freiburger Kommunalbauten, reeds aangehaald, punt 21, en beschikking van 16 november 2010, Pohotovosť, C‑76/10, Jurispr. blz. I‑11557, punt 59).” [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
Constructora Principadoheeft het HvJ EU over de vergelijking met het geldende recht nog het volgende overwogen: [117]
niet louter worden beantwoord op basis van een kwantitatieve financiële beoordelingdie berust op een vergelijking tussen het totale bedrag van de transactie waarop de overeenkomst betrekking heeft en de kosten die overeenkomstig dat beding voor rekening komen van de consument.
doordat de inhoud van de rechten die de consument volgens die bepalingen aan die overeenkomst ontleent, wordt beperktof de uitoefening van die rechten wordt belemmerd dan wel doordat
aan de consument een extra verplichting wordt opgelegd waarin de nationale bepalingen niet voorzien.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
aanzienlijke verstoringvan het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen. Daarbij zal de rechter bijvoorbeeld kunnen meewegen dat er iets tegenover het beding staat dat de nadelen voor de consument kan opheffen of afzwakken. [118] Hoewel de oneerlijkheidsbeoordeling tot uitgangspunt neemt dat één enkel beding een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument kan opleveren, [119] lijkt de Richtlijn toe te staan dat de consument voor de effecten van een op zichzelf nadelig beding wordt gecompenseerd door andere elementen van de overeenkomst. Zo valt in de considerans van de Richtlijn te lezen dat “(…) het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en de verhouding kwaliteit/prijs niettemin in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van andere bedingen”. Een lagere prijs kan de consument bijvoorbeeld compenseren voor een nadelig beding, zo blijkt bijvoorbeeld ook uit de parlementaire geschiedenis van de afdeling 6.5.3 BW. [120] Tegelijkertijd valt lastig te controleren of een eventuele lagere prijs daadwerkelijk in verhouding staat tot de door de consument als gevolg van een bepaald beding ondervonden nadelen. [121] Uit het arrest
Constructora Principado [122] is af te leiden dat moet komen vast te staan dat de consument met een prijsverlaging ook daadwerkelijk is gecompenseerd. [123]
Radlingervolgt verder dat
nietrelevant is of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming van het beding nastreeft. [124] De schuldeiser/verkoper kan zich dus niet verweren door te betogen dat een op zichzelf nadelig beding geen effect heeft, omdat het in de praktijk niet wordt toegepast.
Beoordeling: strijd met de goede trouw?
Azizblijkt, is het pleit nog niet beslecht wanneer een aanzienlijke verstoring wordt vastgesteld, maar zal vervolgens moeten worden beoordeeld of die verstoring ‘in strijd met de goede trouw’ is veroorzaakt. Dat is niet het geval wanneer de verkoper door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld. [125] Dat moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden op het moment dat de overeenkomst werd gesloten, en rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. [126] In het arrest
Káslerheeft het HvJ EU, in het kader van de transparantie-eis, benadrukt dat met ‘consument’ een “normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument” wordt bedoeld. [127] Wanneer het HvJ EU in het kader van de goede trouw-beoordeling een zelfde consumentbegrip hanteert, [128] zou dat betekenen dat bij de toepassing van Richtlijn 93/13/EEG steeds een relatief goed geïnformeerde en oplettende consument centraal staat. [129]
Concrete beoordeling door de nationale (feiten)rechter
Pannonoordeelde het HvJ EU kort gezegd dat het aan de nationale rechter is om, met gebruikmaking van het door het HvJ EU geformuleerde toetsingskader en aan de hand van alle omstandigheden van het geval, te beoordelen of een bepaald concreet beding als oneerlijk moet worden aangemerkt. [132] Het HvJ EU spreekt zich dus in beginsel niet uit over de vraag of de uitkomst van die beoordeling juist is. [133] Bij uitzondering gebeurt dat toch. Zo heeft het HvJ EU in het arrest
Océanozelf geoordeeld dat een forumkeuzebeding, waarbij de rechter van de vestigingsplaats van de verkoper bij uitsluiting bevoegd wordt verklaard, oneerlijk is. [134]
Van Marrum/Wolffbenadrukt, [135] met verwijzing naar de rechtspraak van het HvJ EU, [136] dat de beoordeling of een beding onredelijk bezwarend is moet geschieden met inachtneming van de omstandigheden van het concrete geval en dat de rechter niet kan volstaan met een algemene beoordeling die op alle soortgelijke bedingen gelijkelijk van toepassing is. Tegelijkertijd zal enige mate van abstractie of objectivering onvermijdelijk zijn: zo betoogt Loos dat sommige belangrijke omstandigheden naar hun aard algemeen zijn, zoals het gegeven dat een arbitraal beding of een forumkeuzebeding voorkomt dat de wederpartij een geschil voorlegt aan de anders bevoegde rechter. [137]
Mostaza Clarooordeelde het HvJ EU dat ook wanneer de burgerlijke rechter slechts wordt gevraagd om toestemming voor tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, hij het hieraan ten grondslag liggende arbitragebeding nog altijd ambtshalve op oneerlijkheid moet toetsen. [138] In het arrest
Asturcombevestigde het HvJ EU deze lijn. [139] In 2015 zijn arbitragebedingen als onderdeel n toegevoegd aan de zwarte lijst van art. 6:236 BW Pro. Sindsdien is onredelijk bezwarend een beding in algemene voorwaarden gehanteerd in de verhouding met een consument, dat voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan de rechter die volgens de wet bevoegd zou zijn, tenzij het beding de wederpartij een termijn gunt van tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk jegens haar op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen. [140]
onevenredighoge schadevergoeding op te leggen’ (onderstreping toegevoegd, A-G). Wat onevenredig is, is aan de nationale rechter, zo oordeelde het HvJ EU in
Asbeek Brusse. Wel maakte het HvJ EU duidelijk dat matiging (door de rechter; vgl. art. 6:94 BW Pro) geen alternatief kan zijn voor vernietiging van een oneerlijk boetebeding. Dat het nationale recht de mogelijkheid tot rechterlijke matiging kent, maakt een beding dat voorziet in een onevenredig hoge boete dus niet aanvaardbaar. [141]
Handhaving
Radlinger(hiervoor randnummer 5.13), dat het hof inderdaad ten onrechte een splitsing had aangebracht tussen de afdrachtverplichting en het boetebeding, en het cumulatieve effect van de rechtsgevolgen van beide bedingen had miskend. [152]
Kásler. [153] In die zaak ging het om een overeenkomst van hypothecaire geldlening, waarbij de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting door de bank werd berekend op grond van het verschil tussen de aankoopkoers en de verkoopkoers van vreemde valuta. De nationale rechter beoordeelde dit beding als oneerlijk, omdat de consument niet in staat was de hoogte van zijn verplichtingen te voorspellen (het beding was dus onvoldoende duidelijk en begrijpelijk). [154] Omdat vernietiging van het beding echter zou meebrengen dat het hele bedrag van de lening in één keer opeisbaar zou worden en de overeenkomst onuitvoerbaar zou worden, paste de rechter het beding met toepassing van nationaal recht zo aan, dat de maandelijkse aflossing op basis van de door de bank toegepaste aankoopkoers werd vastgesteld. [155] Het HvJ EU sanctioneerde deze oplossing.
Slotsom
consumenten. Een consument is een natuurlijke persoon, die handelt voor doeleinden die buiten zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening zijn gelegen;
6.Vraag 1: is de verzekering door een verzekerde aangegaan als consument?
nemer, nu dit immers de gebruikelijke aanduiding is voor de partij die de verzekeringsovereenkomst is aangegaan. [159]
feitelijkde premie betaalt? Bij een andere lezing zou de tweede volzin geen toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de eerste, nu de verplichting tot premiebetaling immers in uitgangspunt juist op de verzekeringnemer rust. Het antwoord op de aldus begrepen vraag luidt ontkennend: bepalend is immers juist wie de verzekeringnemer is; het gaat juist om dat partijschap, het aangaan van het contract. Is dat een natuurlijke persoon, die niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, dan zou geen verschil moeten maken dat een ander, natuurlijke persoon of juist rechtspersoon, feitelijk de premie voor zijn rekening neemt. Dit geldt ook in de omgekeerde situatie (een rechtspersoon is verzekeringnemer en een natuurlijke persoon betaalt de premie): ook dan is bepalend wie verzekeringnemer is en niet wie de premie betaalt, zodat de Richtlijn hier niet van toepassing is. [168]
verzekeringnemereen natuurlijk persoon is. [181] Is de verzekeringnemer een rechtspersoon, dan is de Richtlijn niet van toepassing (dit behoudens het geval van een derdenbeding; hiervoor randnummer 6.5). Wie (feitelijk) de premie betaalt, doet niet ter zake.
7.Vraag 2: is artikel 14 van Pro de polisvoorwaarden een oneerlijk beding?
iustum pretium-toetsing zouden worden blootgesteld. Dat zien we ook terug in de rechtspraak van Uw Raad. Daaruit blijkt dat het eigenlijk om die bedingen gaat, zonder welke van objectief bepaalbare verbintenissen voor partijen geen sprake meer is. Het wezen van de overeenkomst, in het onderhavige geval een verzekeringsovereenkomst, zou dan ontbreken.
Vaststellingsbeding of standpuntbepaling?
vastgestelddoor de maatschappij” (onderstreping van mij, A-G) en dat de verzekeringnemer wordt “geacht het standpunt van de maatschappij te aanvaarden” indien hij de bezwaartermijn ongebruikt laat verstrijken. In ieder geval ontbreekt een term als ‘beslissing’. Dat zou een sterke aanwijzing vormen voor een vaststellingsbeding in de zin van art. 7:900 lid 2 BW Pro. Belangrijker lijkt mij nog dat Nationale-Nederlanden zelf heeft benadrukt dat een gang naar de rechter (of de Geschillencommissie van het Kifid) ‘gewoon’ open blijft staan: dit wordt de verzekeringnemer onder meer door middel van brochures duidelijk gemaakt. [222] Dat sluit ook aan bij de Protocollen, die voorschrijven dat de verzekeraar de verzekerde uitdrukkelijk de mogelijkheid moet bieden de zaak voor te leggen aan de rechter. [223] Deze ruimte voor gewone rechterlijke beoordeling past niet bij een regime van een vaststellingsbeding in de zin van art. 7:900 lid 2 BW Pro. Overigens zou ook een eventuele uitleg
contra proferentem¸ die de Richtlijn voorschrijft bij onduidelijke bedingen, meebrengen dat het hier niet om een vaststellingsbeding gaat: dat is immers de voor de consument meest gunstige uitleg. [224]
De bevoegdheid van de verzekeraar om deskundigen aan te wijzen
4.3.2 Geen afstemming bij keuringen
4.1.2 Afstemming van specialist en vraagbrief
buitencontractueleafwikkeling van letselschades. Dat maakt het echter des te opmerkelijker dat nota bene in een contractuele ‘setting’, zoals bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen het geval is, als uitgangspunt geldt dat er tussen partijen geen afstemming hoeft plaats te vinden over de aan te zoeken deskundige en de hem voorgelegde vragen. Daar kan moeilijk tegen worden ingebracht dat partijen over deze gang van zaken overeenstemming hebben bereikt: de kern van de zaak is immers juist of deze afspraken door de beugel kunnen.
Korošec-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), [253] overwogen dat de betrokkene gezien de dienstbetrekking tussen het UWV en de verzekeringsarts gerechtvaardigde twijfel kan hebben over de onpartijdigheid van die arts, en dat hij hierdoor ten opzichte van het UWV in een ongelijke positie komt te verkeren. Volgens de CRvB is het de taak van de bestuursrechter om te compenseren voor een dergelijke ongelijke positie. Hij heeft daarbij enkele uitgangspunten geformuleerd. Zo moet de bestuursrechter toetsen of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, en hem zo nodig daartoe alsnog de gelegenheid moet geven. De rechter kan ook een onafhankelijke deskundige benoemen. [254]
nietvergelijkbaar met die van het UWV.
Cumulatief effect
Radlinger(hiervoor randnummer 5.13) voordoet (is in casu wel sprake van verschillende bedingen?), lijkt het in het verlengde van dat arrest wel van belang dat in casu ook het cumulatieve effect van de verschillende elementen uit artikel 14 PV Pro wordt beoordeeld. Duidelijk is dat de rechtsgevolgen van de hiervoor (randnummer 7.5) genoemde elementen van artikel 14 PV Pro zich tegelijk kunnen voordoen: het gaat immers om een standaardproces dat altijd wordt doorlopen indien een verzekerde zich arbeidsongeschikt meldt en aanspraak maakt op een uitkering. Dat betekent dat in dit geval moet worden beoordeeld of en zo ja in hoeverre sprake is van benadeling van de verzekeringnemer door de eenzijdige benoeming van deskundigen, het karakter van vaststelling door de verzekeraar en de gevolgen van het niet (tijdig) maken van bezwaar in samenhang beschouwd.
Slotsom
vraag 2– moet artikel 14 PV Pro als oneerlijk worden beschouwd? – dus ontkennend.
8.Vraag 3: het belang van een second opinion
second opinion. Voluit luidt die vraag als volgt:
second opinionin positieve zin zou kunnen meewegen, zodat een eventueel door artikel 14 PV Pro veroorzaakt nadeel daardoor zou kunnen worden opgeheven. Hoewel ik, zoals zojuist duidelijk is geworden (randnummer 7.56), van oordeel ben dat artikel 14 PV Pro de oneerlijkheidstoets kan doorstaan, zodat ‘compensatie’ door een eventuele
second opinionniet nodig is, zal ik toch op deze vraag ingaan. Niet ondenkbaar is dat Uw Raad anders denkt over de beantwoording van vraag 2.
second opinion, wel in de verzekeringsvoorwaarden is vastgelegd. Ook in de onderhavige procedure heeft Nationale-Nederlanden aangevoerd dat een dergelijke mogelijkheid bestaat, maar ter onderbouwing alleen op het Protocol 2001 gewezen, waarin de mogelijkheid van een
second opinionis opgenomen. [262] Opgemerkt moet worden dat het Protocol 2001 niet voorziet in een
rechtvan de verzekeringnemer op een
second opinion, maar dat dit alleen als mogelijkheid wordt genoemd. Over een kostenregeling is niets opgenomen. [263] Het Protocol 2016 voorziet wel in een recht op een
second opinion:
second opinionniet nodig. Uiteraard is het wel zo dat zo’n mogelijkheid, wat er verder ook zij van de precieze inrichting daarvan (de ene
second opinion-optie is de andere niet) de balans nog wat verder laat doorslaan in de richting van ‘niet oneerlijk’. Op een vergelijkbare manier kan voor diegenen die bij vraag 2 op een ander spoor zitten dan ik, de mogelijkheid van een
second opinionde balans positief beïnvloeden. Of dat werkelijk het geval is, zal dan wel afhangen van de vraag waarin het oneerlijke van artikel 14 PV Pro dan precies zit, omdat vervolgens de vraag is of de herbeoordelingsmogelijkheid dat nadeel wel (voldoende) compenseert.
second opinionalleen inhoudt dat een tweede deskundige de reeds bestaande beoordeling opnieuw beziet. In die situatie wordt bijvoorbeeld niet gecorrigeerd voor een mogelijk gebrek aan ‘onbevangenheid’ of zelfs onpartijdigheid van de eerste deskundige, en evenmin voor bezwaren van de verzekeringnemer tegen de vraagstelling die is voorgelegd. Dit ligt weer anders als onder een
second opinionook wordt begrepen een volledige herbeoordeling door een in samenspraak aangewezen deskundige, die in de plaats treedt van de reeds bestaande deskundigenbeoordeling. [265] Dat is echter geen gangbare invulling van het begrip
second opinion.
second opinion, moeten komen vast te staan dat de verzekeringnemer daarop inderdaad een afdwingbaar recht heeft en dat de verzekeringnemer daadwerkelijk op dat recht is gewezen. Het enkele feit dat het recht is opgenomen in een Protocol is daarvoor mijns inziens onvoldoende: verzekeraars zijn hieraan weliswaar gebonden, [266] maar niet is gesteld of gebleken dat verzekeringnemers ook (voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst) van dat Protocol op de hoogte worden gesteld.
Vraag 3kan zo worden begrepen, dat deze inhoudt of de mogelijkheid van een
second opinionvan doorslaggevend belang kan zijn bij de oneerlijkheidsbeoordeling. Nu artikel 14 PV Pro die beoordeling volgens mij ook zonder de inachtneming van de mogelijkheid van een
second opinionkan doorstaan, luidt het antwoord op vraag 3 dat deze omstandigheid niet zonder belang is bij de beoordeling van het onderhavige beding, maar wat mij betreft geen doorslaggevende betekenis heeft.
9.Vraag 4 en 5: bewijsrechtelijke consequenties van vernietiging
niet binden(in zoverre gaat het hier dus om een vraag van nationaal recht). [267] In het Nederlandse recht moet een richtlijnconforme toepassing van de sanctie van vernietiging ex art. 6:233 onder Pro a BW daarin voorzien (hiervoor randnummer 5.34). Het oneerlijke beding dient uiteindelijk dus als ongeschreven te worden beschouwd. De vraag is dan: als er verder niets door partijen is overeengekomen over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, hoe dient de mate van arbeidsongeschiktheid dan te worden vastgesteld? Hiervoor is al aan de orde geweest dat in een dergelijk geval het initiatief in verband met de bewijslast ex art. 150 Rv Pro bij de verzekeringnemer ligt (hiervoor randnummer 7.26). De verzekeraar kan en mag uiteraard tegenbewijs leveren, en van de verzekeringnemer kan verlangd worden dat hij zich binnen redelijke grenzen door deskundigen van de verzekeraar laat onderzoeken.
niet gebondenis aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door de verzekeraar op basis van de eenzijdig gemaakte rapportages. Zijn er verder nog consequenties?
vraag 5luidt dus bevestigend.
10.Beantwoording van de prejudiciële vragen
second opinionvan doorslaggevend belang kan zijn bij de oneerlijkheidsbeoordeling. Nu artikel 14 PV Pro die beoordeling volgens mij ook zonder de inachtneming van de mogelijkheid van een
second opinionkan doorstaan, luidt het antwoord op vraag 3 dat deze omstandigheid weliswaar niet zonder belang is bij de beoordeling van het onderhavige beding, maar dat zij wat mij betreft geen doorslaggevende betekenis heeft.