Conclusie
1.Nationale-Nederlanden
Grief III
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel I.1.4) dat het hof door geen aandacht te besteden aan de wilsvertrouwensleer blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de vaste rechtspraak van Uw Raad over de uitzondering op de hoofdregel van gebondenheid aan eenmaal door een verzekeraar erkende aansprakelijkheid. Indien dit niet is miskend, is volgens
subonderdeel I.1.5sprake van een motiveringsgebrek.
onderdeel I.3(
subonderdeel I.3.2) gaat het hof uit van een onjuiste lezing van het in rov. 6.3 bedoelde arrest van het Haagse hof [4] over derogerende werking in dit verband. Voor zover de klacht van onderdeel I.2 niet opgaat, is volgens
subonderdeel I.3.3sprake van miskenning van de gevergde terughoudendheid bij toepassing van de derogerende werking.
Gem. Maastricht/Crals [7] :
R/Gelderse vallei [8] .
Gem. Maastricht/Cralsruimte te laten voor een beroep op dwaling (onjuiste voorstelling van zaken); voor daarvoor in aanmerking komende gevallen kan de dwalingsregeling ook op eenzijdige rechtshandelingen worden toegepast [10] .
aanvankelijkgegeven relaas over de toedracht van het ongeval. Mogelijk is dan te betogen: ook dat komt vervolgens voor risico (in beginsel) van de verzekeraar, omdat deze kennelijk geen nader onderzoek nodig heeft geacht. Maar meer lijkt aan te spreken dat dit niet naar verkeersopvattingen in de risicosfeer van de verzekeraar behoort te liggen, die hier immers afgaat op een toedrachtsrelaas van haar verzekerde en het slachtoffer [11] . Als vervolgens na dit aanvankelijke toedrachtsverhaal op grond waarvan aansprakelijkheid is erkend, serieuze twijfel opdoemt over die toedracht – het hof geeft in rov. 6.4 twee redenen voor die twijfel: 1) opvolgende tegenstrijdige verklaringen van [betrokkene 1] (waaronder de nadere verklaring van [betrokkene 1] bij de politie dat hij weliswaar had gezegd dat hij de bal had gegooid, maar dat eigenlijk niet wist, vgl. rov. 6.4, 3e volzin [12] ), waarvan er sowieso één leugenachtig moet zijn en 2) de latere verklaring van [eiseres] dat zij niet heeft gezien wie precies het balletje tegen haar pink heeft gegooid [13] - dan is de hier door het hof in onze zaak voorgestelde regel dat dan
in elk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheidsprake kan zijn van onaanvaardbaarheid om de verzekeraar aan haar aanvankelijke erkenning te houden, niet meteen iets dat de wenkbrauwen zou moeten laten fronsen. De gekozen woordkeuze van het hof lijkt mij zo te begrijpen, dat dan als het ware in het midden kan blijven of sprake is van een bedrog- of misbruiksituatie; het één schuurt in dergelijke gevallen dicht aan tegen het ander. Nationale-Nederlanden betoogt ook bij s.t. 2.2.8 dat in zo’n geval van onjuiste en/of onbetrouwbaar gebleken verklaringen van verzekerde en/of claimant op grond waarvan aanvankelijk aansprakelijkheid is erkend door de verzekeraar, naar verkeersopvattingen het risico hier niet bij de verzekeraar ligt.
Gem. Maastricht/Cralsmoet worden afgeleid dat de hoofdregel is dat
alleenals volgens de wilsvertrouwensleer een derde als [eiseres] een uiting van een verzekeraar
nietals erkenning heeft kunnen en mogen opvatten, kan die verzekeraar niet aan die erkenning worden gehouden, dan nog lijkt mij op zichzelf mogelijk dat daarop kan worden ingeperkt door de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, waarover nader hierna in 2.13, 2.15, 2.17 en 2.18 (en 2.20).
als erkenningheeft kunnen opvatten. Zodoende is (de daarvan afwijkende door het hof toegepaste) toetsing aan de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid onjuist en is bovendien miskend dat bij de directe actie van art. 7:954 BW Pro er geen sprake is van een crediteur-debiteur-verhouding, zodat de derogerende werking uit art. 6:2 lid 2 of Pro 6:248 lid 2 BW toepassing mist. Althans is hier volgens deze klachten sprake van onbegrijpelijkheid.
subonderdeel I.3.2gaat het hof uit van een onjuiste lezing van het in rov. 6.3 bedoelde arrest van het Haagse hof [21] over derogerende werking in dit verband. In die zaak was sprake van bewuste verzwijging van cruciale informatie door de gelaedeerde, waarvan hij wist dat die van belang was voor erkenning van de aansprakelijkheid door de verzekeraar. In stelling werden gebracht primair bedrog, subsidiair derogerende werking, waarna het hof meteen doorstootte naar de subsidiaire stelling en die honoreerde. Dat in dit precedent sprake was van bewust verzwijgen van cruciale informatie door de gelaedeerde (waarvan je ook kan zeggen: een gelaedeerde die bedrog pleegt kon ook op grond van de wilsvertrouwensleer niet uitgaan van de aansprakelijkheidserkenning) is volgens het subonderdeel miskend door het hof, nu het zich in onze zaak baseert op de in rov. 6.4 genoemde omstandigheden a) twijfel over betrouwbaarheid op grond van na aansprakelijkheidserkenning volstrekt tegenstrijdige verklaringen van [betrokkene 1] , waarvan er in ieder geval één leugenachtig moet zijn en b) de latere verklaring van [eiseres] , in weerwil van haar eerdere, dat zij niet heeft gezien wie het balletje tegen haar heeft aangegooid.
subonderdeel I.3.3sprake van miskenning van de gevergde terughoudendheid bij toepassing van de derogerende werking, vooral in een geval als het onze, waarin volgens de klacht geen sprake is van misleiding door gelaedeerde of verzekerde en [eiseres] daadwerkelijk door het incident letselschade heeft opgelopen. Derogerende werking kan niet eenvoudig worden aangenomen en zeker niet op grond van alleen meergenoemde twee omstandigheden a) twijfel over betrouwbaarheid op grond van na aansprakelijkheidserkenning volstrekt tegenstrijdige verklaringen van [betrokkene 1] , waarvan er in ieder geval één leugenachtig moet zijn en b) de latere verklaring van [eiseres] , in weerwil van haar eerdere, dat zij niet heeft gezien wie het balletje tegen haar heeft aangegooid. Volgens de klacht zijn daarvoor bijzondere omstandigheden vereist, zoals daadwerkelijk gepleegd bedrog/misleiding door of met medeweten van de gelaedeerde of de verzekerde.
alleenvolgen uit de door het hof daaraan ten grondslag gelegde omstandigheden a) dat [betrokkene 1] tenminste één leugenachtige verklaring heeft afgelegd in combinatie met b) de nadere verklaring van [eiseres] dat zij niet heeft gezien wie het balletje tegen haar aan heeft gegooid.
subonderdeel I.4.1opgesomde essentiële stellingen van [eiseres] .
onderdeel I.4.2vat het middel dit samen met de klacht dat [eiseres] in feitelijke aanleg gemotiveerd heeft gesteld dat NN niet kon terugkomen op haar aansprakelijkheidserkenning, nu niet is komen vast te staan dat NN (opzettelijk) is misleid door [betrokkene 1] en/of [eiseres] en dat voor die conclusie dan ook onvoldoende is dat getwijfeld kan worden aan de juistheid van een deel van [betrokkene 1] verklaringen, te meer nu deze heeft uitgelegd hoe hij tot die tegenstrijdige verklaringen is gekomen (afgelegd onder druk van CED Forensic).
onderdelen I.4.3 en I.4.4daarop afketsen. Daarbij is te bedenken dat het hof niet gehouden is op alle stellingen van [eiseres] in te gaan. Dat stelt te hogen eisen aan de rechterlijke motivering. In wezen komt het onderliggende feitelijke oordeel van het hof erop neer dat [eiseres] er niet in is geslaagd te bewijzen dat het ongeval door [betrokkene 1] is veroorzaakt (vgl. rov. 6.6
in fineen rov. 8.2). Daarvoor is mede dragend dat zowel [betrokkene 1] als [eiseres] nader hebben verklaard dat ze niet weten respectievelijk niet gezien hebben dat [betrokkene 1] de bal naar [eiseres] heeft gegooid. Daarmee is de toedracht van het ongeval op zodanig losse schroeven komen te staan, dat ruimte is gezien voor toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat is goed te volgen. Voor verdergaande toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats. Dat het hof op de enkele grond dat sprake is van onbetrouwbaarheid van de verzekerde is gekomen tot de mogelijkheid van aansprakelijkheidserkenning terug te komen, zoals [eiseres] bij repliek in cassatie in 5 en 6 suggereert, is blijkens het voorgaande onjuist.