Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Hamburg, Duitsland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
20 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de huurder (Anker) schuldeisersverzuim had door het onterecht afwijzen van een voorstel van de verhuurder (Henderson) tot herstel van gebreken aan de gehuurde bedrijfsruimte. De vraag was of het aanbod van de verhuurder voldeed aan de eisen van artikel 6:86 BW Pro, dat betrekking heeft op het aanbod tot nakoming.
De feiten en het procesverloop werden door de Hoge Raad overgenomen uit eerdere vonnissen van de kantonrechter te Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Anker stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, dat het standpunt van de verhuurder bevestigde. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en Anker werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president Streefkerk als voorzitter en raadsheren Polak, Tanja-van den Broek, du Perron en Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam.