Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
WARBURG-HENDERSON KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT FÜ
R IMMOBILIEN MBH,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Partijen(hof: Anker en Henderson)
zullen over de uitvoering van de werkzaamheden aan de vloer in onderhandeling moeten treden rekening houdend met elkaars belangen en gezien artikel 7:206 lid 3 BW Pro.”. Aan de veroordeling was geen dwangsom verbonden. Partijen hebben in het vonnis berust.
(…) Mocht Anker niet tijdig voldoen aan de gewenste vernieuwing (…) van de bankgarantie, dan maakt Henderson reeds nu voor alsdan aanspraak op de boete ex art. 12.6 van de algemene bepalingen.”
3.Beoordeling
public warehouse) te vertrekken, onvoldoende gemotiveerd. Het betoog dat de termijn van elf dagen onnodig kort was, omdat Henderson toch niet na ommekomst daarvan aan de slag kon, heeft Anker - na de gemotiveerde betwisting door Henderson - niet nader onderbouwd, zodat het wordt verworpen. Het bedrag van € 600.000,00 was voldoende als voorschot voor de verhuiskosten, nu Anker zelf eerder had aangegeven dat dit bedrag volstond. Dat Henderson eerst tot (gedeeltelijke) betaling over wilde gaan na ontvangst van facturen, is gezien de (verstoorde) verhoudingen tussen partijen niet onredelijk. Ook was niet onredelijk dat Henderson zich het recht voorbehield de door haar voorgeschoten verhuiskosten (deels) terug te vorderen. Dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 27 maart 2013 heeft overwogen dat een door Henderson voorgestane oplossing waarbij de verhuiskosten geheel voor rekening van Anker bleven onvoldoende rekening hield met de belangen van Anker, maakt de voorwaarde om een bodemrechter (eventueel) te vragen over de verhuiskosten te oordelen, niet onbillijk.
”(aantoonbaar) gemaakte kosten”). Dat Henderson als reactie op het voorstel van Anker dat het bedrag van € 600.000,00 zou worden gestort op de derdengeldrekening van haar advocaat (mail van mr. Schelling van 19 juli 2013; productie 12 akte houdende producties zijdens Anker), voorstelde dat dit bedrag zou worden gestort op de derdengeldrekening van de advocaat van Henderson, was gezien de moeizame verhouding tussen partijen en het gegeven dat Anker relatief kort daarvoor beslag onder zichzelf had gelegd, niet onredelijk. Dat Anker de overeenstemming over voorstel 6 hierop kennelijk heeft laten afketsen, komt dan ook voor haar risico.
“aangesproken”als bedoeld in deze bepaling. Het standpunt van Anker dat de bankgarantie in kwestie niet is aangesproken omdat de Rabobank vanwege het derdenbeslag door Anker het hiermee gemoeide bedrag van € 71.814, 76 niet aan Henderson heeft overgemaakt en de bankgarantie derhalve feitelijk niet is uitgewonnen, wordt verworpen. Wanneer een dergelijke uitleg was bedoeld had veeleer voor de hand gelegen in genoemd artikel 12.3 de term “feitelijk uitgewonnen” te gebruiken, maar dat is niet gebeurd. Het verweer dat Anker geen nieuwe bankgarantie hoefde te stellen en ook geen boete verschuldigd is geworden, omdat Henderson niet aan Anker heeft duidelijk gemaakt op welk moment zij de bankgarantie bij Rabobank heeft ingeroepen en evenmin daarná heeft gesommeerd een nieuwe bankgarantie te stellen, wordt verworpen. Henderson heeft bij (aangetekende) brief van haar advocaat van 31 juli 2013 (zie rechtsoverweging 2.20) onomwonden aangegeven dat bij niet tijdige betaling de bankgarantie zou worden aangesproken, Anker gesommeerd om binnen drie dagen een nieuwe bankgarantie te stellen, en Anker erop gewezen dat wanneer geen nieuwe bankgarantie zou worden gesteld aanspraak op de contractuele boete werd gemaakt. Naar het oordeel van het hof volstaat deze - bij voorbaat - ingebrekestelling en wist Anker voldoende waar zij aan toe was. Voor zover Anker bedoelt te betwisten dat Henderson de bankgarantie daadwerkelijk ten opzichte van Rabobank heeft aangesproken, heeft zij dit onvoldoende gemotiveerd gedaan. Dit brengt met zich dat Anker het gevorderde bedrag van € 98.250,00 aan boetes verschuldigd is. Dat het gehuurde op 29 augustus 2014 werd opgeleverd, staat niet eraan in de weg dat de boetes tot en met het einde van de huurovereenkomst op 31 augustus 2014 verschuldigd zijn geworden. Daargelaten dat uit de algemene bepalingen niet volgt dat de verplichting de bankgarantie te stellen bij oplevering van het gehuurde komt te vervallen, konden op of na 29 augustus 2014 opleveringsgebreken aan het licht komen, zodat Henderson belang bij had bij het voortbestaan van de bankgarantie.