Conclusie
1.Feiten
“Partijen (hof: Anker en Henderson) zullen over de uitvoering van de werkzaamheden aan de vloer in onderhandeling moeten treden rekening houdend met elkaars belangen en gezien artikel 7:206 lid 3 BW Pro”. Aan de veroordeling was geen dwangsom verbonden. Partijen hebben in het vonnis berust.
voorstel 1). Anker heeft dit voorstel niet geaccepteerd.
voorstel 2). Dit voorstel heeft Anker niet geaccepteerd. Anker heeft Henderson op 18 april 2013 gesommeerd om over te gaan tot herstel van de vloer. Henderson heeft op 23 april 2013 drie alternatieve voorstellen gedaan (
voorstellen 3, 4 en 5). Ook deze voorstellen heeft Anker niet aanvaard.
voorstel 6). Anker heeft op 8 mei 2013 laten weten hiermee niet te kunnen instemmen en Henderson gesommeerd om over te gaan tot herstel van de vloer door het aanbrengen van een strokenvloer (herstel in delen).
voorstel 7). Aan dit voorstel waren 16 voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarde dat Flexabram zou verklaren dat het bedrag van € 250.000,00 en de kosten gemoeid met het herstel van de vloer onder de vrijwaring zouden vallen en door haar zouden worden betaald.
voorstel 8). Anker heeft dit voorstel niet aanvaard.
Indien betaling van het totaalbedrag ad € 76.840,70, binnen de gestelde termijn, wederom uitblijft, zal Henderson direct de door Anker verstrekte bankgarantie aanspreken, waarbij Henderson Anker reeds nu voor alsdan sommeertbinnen drie dagen na hedeneen nieuwe bankgarantie te stellen, aangepast aan de huidige betalingsverplichting, (hof: in een voetnoot aan het einde van deze laatste zin wordt verwezen naar de artikelen 12.3 en 12.4 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst) (...) Mocht Anker niet tijdig voldoen aan de gewenste vernieuwing (...) van de bankgarantie, dan maakt Henderson reeds nu voor alsdan aanspraak op de boete ex art. 12.6 van de algemene bepalingen.”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Is de verhuurder met het verhelpen [van een gebrek; A-G] in verzuim, dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor gemaakte kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen.” In cassatie staat vast dat Henderson in verzuim was met haar verplichting om de vloer te herstellen. Eveneens staat vast dat Anker de huur gedurende enige tijd niet heeft betaald. Het verrekeningsberoep van Anker is afgewezen omdat volgens het hof het (schuldenaars)verzuim van Henderson is geëindigd toen Anker in schuldeisersverzuim geraakte door ‘voorstel 6’ af te wijzen (art. 6:58 en Pro 6:61 lid 1 BW).
De schuldeiser kan een na het intreden van het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten.´
subonderdeel 1.1bevat, kort gezegd, art. 6:86 BW Pro een verplichting voor de schuldenaar om een behoorlijk aanbod tot schadevergoeding te doen, zodat de schuldenaar zich ervan kan vergewissen of dit (na onderhandelingen) tot een aanvaardbaar resultaat zal kunnen leiden. De schuldenaar wordt niet van deze verplichting ontslagen indien nog geen schade is opgekomen of gebleken (
subonderdeel 1.3, slot).
subonderdeel 1.1bevat ‘voorstel 6’ − naast de gemaximeerde verhuiskosten – echter geen aanbod tot vergoeding van schade voor de huur voor een tijdelijke bedrijfsruimte en had het hof daarom, zo nodig ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, moeten oordelen dat ’voorstel 6’ niet als behoorlijk c.q. redelijk kon worden aangemerkt.
subonderdeel 1.2) dan wel in het licht van de stellingen van Anker (
subonderdeel 1.3) had moeten oordelen.
subonderdelen 1.1 t/m 1.3stuiten op het voorgaande af. In het verlengde daarvan faalt ook
subonderdeel 1.5.b, dat klaagt dat het hof in rov. 3.3.3 ten onrechte niet artikel 6:86 BW Pro heeft betrokken in zijn oordeel dat Anker in schuldeisersverzuim is geraakt.
subonderdeel 1.5.avoortbouwt op de subonderdelen 1.1 t/m 1.4 faalt het in het verlengde daarvan. Voor zover dit voortbouwt op subonderdeel 2.2 wordt het aldaar besproken. Onderdeel 1 kan niet tot cassatie leiden.
subonderdelen 2.1 en 2.2)
subonderdelen 2.3.a, 2.3.b en 2.3.c);
subonderdeel 2.3.d);
subonderdeel 2.4).
subonderdeel 2.1heeft het hof bij de uitleg van ‘voorstel 6’ de Haviltexmaatstaf miskend door alleen te kijken naar de tekst van het voorstel en niet naar de in subonderdeel 2.2 genoemde omstandigheden (i) en (ii).
subonderdeel 2.2had het hof de bedoelde omstandigheden moeten betrekken bij zijn uitleg van ‘voorstel 6’ en bij zijn oordeel of dat voorstel redelijk c.q. behoorlijk was in het licht van art. 6:58 en Pro art. 6:86 BW Pro, en is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd nu het hof dat niet heeft gedaan.
subonderdeel 2.2betoogt, behoefde het hof stelling (i) niet te betrekken op de beoordeling van de redelijkheid van ‘voorstel 6’. Als het voorstel op zichzelf redelijk is, hetgeen naar het oordeel van het hof het geval is, dan doet aan die redelijkheid niet af het geval dat een (in zoverre ten overvloede) voorgesteld
alternatiefonredelijk is, zo van dat laatste al moet worden uitgegaan.
subonderdeel 1.5.anog dat het schuldeisersverzuim niet op de voet van art. 6:58 BW Pro kon intreden door de afwijzing van ‘voorstel 6’, omdat Henderson niet (voldoende) bereid en in staat was om haar herstelverplichting na te komen. Deze klacht faalt in het verlengde van subonderdeel 2.2.
subonderdelen 2.3.a, 2.3.b en 2.3.czien op de termijn van 11 dagen. Daarover oordeelde het hof in rov. 3.3.3, samengevat:
public warehouse) te vertrekken, onvoldoende gemotiveerd;
subonderdeel 2.3.ais onduidelijk, samengevat, waarom Anker volgens de bij 3.14 onder (i) bedoelde overweging akkoord zou moeten gaan met het opschuiven van de door de kantonrechter bepaalde termijn van 15 juni 2013.
subonderdeel 2.3.bis het bij 3.14 onder (ii) bedoelde oordeel onbegrijpelijk in het licht van het betoog van Anker (appeldagvaarding tevens MvG nr. 25), dat Henderson zich er (blijkens diens appeldagvaarding tegen het kortgedingvonnis van 27 maart 2013 nr. 5.34) [18] van bewust was dat 1,5 week te kort was om te verhuizen.
subonderdeel 2.3.bfaalt.
subonderdeel 2.3.cmiskent het bij 3.14 onder (iii) bedoelde oordeel dat het betwistende verweer van Henderson voor het eerst werd gedaan bij MvA, waarna Anker niet meer in de gelegenheid is geweest haar betoog te onderbouwen. Om die reden verwerpt het hof in rov. 3.9 ook ten onrechte het bewijsaanbod van Anker, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 2.4.abetoogt in de kern dat het hof ten onrechte in zijn oordeel dat Henderson ‘voorstel 6’ heeft gehandhaafd, niet de stelling van Anker heeft betrokken dat ‘voorstel 6’ zou zijn vervallen doordat Anker deze heeft afgewezen en Henderson vervolgens ‘voorstel 7’ heeft gedaan dat Anker heeft aanvaard.
subonderdeel 3.2– naar mijn mening de kernklacht van het onderdeel − gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat grief V geen afzonderlijke bespreking behoefde omdat Anker reeds op 8 mei 2013 in schuldeisersverzuim is geraakt, want schuldeisersverzuim kan door ‘zuivering’ ten einde komen op het moment dat de schuldenaar zijn prestatie heeft verricht of redelijkerwijs had kunnen verrichten (en dat laatste is het geval nu Henderson de tijd kreeg tot 15 juli 2013).
Subonderdeel 3.1klaagt ten onrechte, kort gezegd, dat uit het bestreden arrest niet kan worden opgemaakt dat het hof deze grief afzonderlijk heeft beoordeeld.
Subonderdeel 3.3betoogt vergeefs dat Anker op 15 juli 2013 niet meer in schuldeisersverzuim was en mist feitelijke grondslag waar het stelt dat het hof aan de in rov. 3.3.4 bedoelde brieven van Henderson van 18 en 29 juli 2013 ‘terugwerkende kracht’ heeft toegekend. In het verlengde van deze klachten faalt ook het concluderende
subonderdeel 3.4.
Onderdeel 4klaagt dat de verwijzing naar de rov. 3.3. en 3.4 de verwerping van grief VII in zoverre niet kan dragen, omdat het hof daarmee niet heeft geoordeeld over het verweer van Anker dat zij haar betalingsverplichtingen kon opschorten wegens gederfd huurgenot door de niet-nakoming door Henderson van diens herstelverplichting.