Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
24 april 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meervoudige poging tot doodslag door met een vuurwapen kogels af te vuren op twee achter elkaar wegrijdende auto's, met voorwaardelijk opzet op de dood van de inzittenden. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch legde een gevangenisstraf van 36 maanden op.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden en verwees naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2018:117).
Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro tijdens de cassatiefase. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot de straf te verminderen met 4 maanden vanwege de overschrijding van meer dan 36 maanden tussen het instellen van het cassatieberoep en de uitspraak.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op 32 maanden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 36 naar 32 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.