Uitspraak
gevestigd te Venlo,
wonende te [woonplaats], Duitsland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
4 mei 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of het beroep op een exoneratieclausule in een koopovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is vanwege opzet of bewuste roekeloosheid. Daarnaast werd beoordeeld of de contractuele rente onredelijk bezwarend is of onaanvaardbaar volgens redelijkheid en billijkheid.
Westplant Limburg B.V. (WPL) had cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Den Haag, waarbij ook een curator in faillissement van een Duitse partij betrokken was. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten en behandelde het cassatieberoep op basis van artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het beroep op de exoneratieclausule in deze omstandigheden onaanvaardbaar is. Tevens werd bevestigd dat de contractuele rente onredelijk bezwarend is. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep werd niet behandeld omdat het principale beroep faalde.
De Hoge Raad veroordeelde WPL in de kosten van het cassatiegeding en wees het beroep af, waarmee de eerdere uitspraken van het gerechtshof werden bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het beroep op de exoneratieclausule onaanvaardbaar is en de contractuele rente onredelijk bezwarend.