Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
Hierdoor werd de straf verminderd van drie jaar tot twee jaar en acht maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, aangezien deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige, waarmee het arrest van het hof grotendeels werd bevestigd.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot twee jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige middelen werden verworpen.