Conclusie
medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk uitlokken van poging tot moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
eerstemiddel klaagt dat het hof het verweer, inhoudende dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te verklaren in de vervolging, ten onrechte heeft verworpen althans de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen heeft omkleed. Het middel klaagt tevens dat het hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ten onrechte heeft verworpen, althans die verwerping onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Conclusie op dit punt in het pleidooi:
“In het bijzonder benadrukt mr. Weski dat de Staat zijn zorgplicht jegens de verdachte heeft verzaakt door de verdachte niet te waarschuwen en niet te beschermen. Zij memoreert in dit verband dat artikel 2 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een positieve verplichting inhoudt. Ter onderbouwing van die stelling heeft de raadsvrouw een document met verwijzingen naar uitspraken van het Europese Hof van de Rechten van de Mens op dit punt overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt.”
NJ2017/51 m.nt. Kooijmans is beslist dat bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet in aanmerking komt, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. De toelichting wijst er vervolgens op dat het recht op leven en veiligheid zoals verankerd in (onder meer) art. 2 EVRM Pro één van de meest fundamentele rechten is en dat van verdragstaten onder omstandigheden actief handelen kan worden verwacht teneinde het recht op leven te verzekeren. De klacht richt zich er daarna op dat het hof slechts heeft overwogen dat geen sprake is van een vormverzuim ex art. 359a Sv, nu er geen sprake is van handelen in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen verdachte ter zake van aan hem verweten gedragingen. De verdediging heeft zich, zo geeft het middel aan, ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting ook expliciet beroepen op de artikelen 1 en 2 EVRM. En de verdediging heeft gesteld dat uit parlementaire stukken de opvatting blijkt dat ‘gevaarzettende handelingen’ altijd tot ingrijpen van opsporingsinstanties dienen te leiden. Het hof zou niet (voldoende) gemotiveerd hebben waarom het handelen in strijd met art. 2 EVRM Pro niet tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting leidt en waarom van het verweer/uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging is afgeweken.
NJ2000/134 m.nt. Alkema (Osman versus UK), waarin reeds werd overwogen (rov. 115):
It is common ground that the State’s obligation in this respect extends beyond the primary duty to secure the right to life by putting in place effective criminal law provisions to deter the commission of offences against the person backed up by law-enforcement machinery for the prevention, suppression and sanctioning of breaches of such provisions. It is thus accepted by those appearing before the Court that Article 2 of the Convention may also imply in certain well-defined circumstances a positive obligation on the authorities to take preventive operational measures to protect an individual whose life is at risk from the criminal acts of another individual.”
weleen zorgplicht zou hebben geschonden, omdat er sprake zou zijn geweest van een voortdurende dreiging richting [verdachte] die ertoe noopte hem te informeren, kan dat niet leiden tot een processuele sanctie in de onderhavige strafzaak. De aanslag op [slachtoffer] had op het moment waarop deze zorgplicht niet zou zijn nageleefd (na 1 september 2010) al plaatsgevonden. Zelfs als een zorgplicht zou zijn geschonden, zou dat derhalve geen enkele invloed hebben gehad op de gedragingen die met dat strafbare feit verband houden. De gedachte van het middel lijkt te zijn dat het openbaar ministerie achteraf het recht op vervolging van een reeds gepleegd feit heeft verspeeld, omdat het [verdachte] niet voor een mogelijke nieuwe aanslag zou hebben gewaarschuwd. En om dezelfde reden zou reeds vergaard bewijsmateriaal niet meer gebruikt mogen worden. Mij komt het voor dat het toepassen van deze processuele sancties op deze grond moeilijk met het fundamentele belang van het recht op leven te verenigen is. De Nederlandse Staat is het ook aan [slachtoffer] verplicht de aanslag die op hem gepleegd is, op te helderen en de daders te bestraffen. [3]
voorde granaataanslag informatie daarover gehad zou hebben, maar om welke reden dan ook verzuimd zou hebben daarnaar te handelen (door verdachte te informeren), geldt dat de verdachte in verband met de aanslag op [slachtoffer] niet is gebracht tot ander handelen dan waarop zijn opzet reeds was gericht. Van beïnvloeding vooraf was ook dan geen sprake geweest. Vooral in een dergelijke situatie van beïnvloeding kan het in de rede liggen om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, ook als de verdachte buiten de context van een voorbereidend onderzoek door de overheid tot een strafbaar feit is gebracht. Zo begrijp ik ook de rechtsregel die de Hoge Raad formuleert in het eerder genoemde HR 13 september 2016,
NJ2017/51 m.nt. Kooijmans. In het hypothetische geval dat ik hier schets, heeft echter te gelden dat fouten in de ene context niet tot processuele sancties in een andere context leiden.
altijdtot ingrijpen van de opsporingsinstanties zouden dienen te leiden. Voor zover een dergelijke verplichting al zou bestaan en geschonden zou zijn, geldt dat schending daarvan na het plegen van het strafbare feit evenmin tot de processuele sancties kan leiden waar het middel het oog op heeft. Maar naar het mij voorkomt is het bestaan van een dergelijke absolute rechtsregel, anders dan de steller van het middel betoogt, niet uit de besluitvorming naar aanleiding van de parlementaire enquête opsporingsmethoden af te leiden. Zo is bijvoorbeeld het daarna tot stand gekomen verbod op ‘doorlaten’, dat in art. 126ff Sv is opgenomen, geclausuleerd: de verplichting tot inbeslagneming geldt ingevolge het tweede lid niet in het geval de officier van justitie op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang anders beveelt. Al heeft deze daarvoor wel toestemming van het College van procureurs-generaal nodig (art. 140a Sv).
NJ2017/51 m.nt. Kooijmans - niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in uitzonderlijke gevallen in aanmerking kan komen. Het gestelde onrechtmatig handelen van politie en justitie heeft plaatsgevonden na het plegen van het misdrijf dat aan de verdachte ten laste is gelegd en staat daar ook overigens volledig los van. Reeds om die reden kan het gestelde onrechtmatig handelen niet meebrengen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van dat misdrijf.
tweedemiddel keert zich tegen de verwerping door het hof van het verweer dat de door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen van het bewijs hadden moeten worden uitgesloten, “
nu er sprake is van een ‘kroongetuige’ als bedoeld in art. 226g Sv, terwijl niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.”
“De "kroongetuige" overeenkomst met [betrokkene 1]
NJ2004/376 m.nt. Buruma en later HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052,
NJ2012/253 m.nt. Mevis). [8] Het komt mij voor dat er overheen kan worden gestapt dat het middel art. 359a Sv niet noemt, omdat het middel (ten eerste) in het bijzonder drie andere artikelen noemt, maar zich daar (dus) niet toe beperkt, (ten tweede) uit de toelichting genoegzaam volgt dat het de steller inhoudelijk om art. 359a Sv gaat, en (ten derde) het huidige stelsel van motiveringsplichten (vgl. ook de bespreking van het eerste middel) niet tot de meest inzichtelijke delen van ons strafprocesrecht behoort. [9]
dat de overeenkomst noodzakelijk en dringen(d) en proportioneel was” en daarom (zo begrijp ik) dienen de als gevolg van deze overeenkomst afgelegde verklaringen en op die basis verkregen onderzoeksresultaten te worden uitgesloten van het bewijs. Daarmee voldoet het gestelde niet aan de eisen die Uw Raad in zijn rechtspraak stelt aan een verweer wil de rechter tot een reactie op grond van art. 359a Sv verplicht zijn (HR 30 maart 2004,
NJ2004/376, rov. 3.7). Zie meer recent HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:542,
NJ2015/357, waarin het gevoerde verweer ook enkel inhield dat sprake was ‘van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, maar over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel’ niets bevatte. De Hoge Raad oordeelde dat het hof reeds op die grond niet anders had kunnen doen dan het verweer verwerpen.
Het oordeel van de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de afspraak is naar zijn aard gebonden aan de stand van het onderzoek, zoals deze ten tijde van de vordering op grond van artikel 226g, derde lid, door de officier van justitie wordt gepresenteerd en is als zodanig een momentopname. Naarmate het onderzoek verder vordert, kan blijken dat de rol van de getuige een andere is geweest, dan door deze –al dan niet bewust misleidend- is weergegeven. Ook ten aanzien van de noodzaak van de verklaring kan zich een substantiële wijziging voordoen: er is bijvoorbeeld andere bewijsmateriaal aan het licht gekomen, die het gebruik van de na een afspraak tot stand gekomen verklaring als bewijsmiddel overbodig maakt.”
De kroongetuige in het Nederlandse strafproces, Den Haag 2013, p. 226 e.v.). Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van de norm is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim (HR 30 maart 2004,
NJ2004/376, rov. 3.5). Dat een afspraak met een kroongetuige aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moet voldoen, strekt er vooral toe te voorkomen dat daders van strafbare feiten hun straf kunnen afkopen zonder dat daar een noodzaak toe bestaat. Dat is niet een norm die de verdachte beschermt over wiens gedrag door de kroongetuige belastend verklaard wordt. Zo bezien kan een verweer dat ertoe strekt dat een met een kroongetuige gemaakte afspraak onrechtmatig was en dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden — in veel gevallen — vermoedelijk ook eenvoudiger verworpen worden.
derdemiddel komt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring.
“Ten aanzien van het als feit A onder 1 tenlastegelegde
medeplegen van medeplichtigheid aan het medeplegen van uitlokking van poging tot moord/doodslag” onvoldoende met redenen omkleed is. Het middel vestigt er de aandacht op dat het hof in de bewijsoverwegingen uitdrukkelijk verwijst naar de op 18 januari 2012 door de verdachte afgelegde verklaring, waarin hij (onder meer) heeft verklaard dat hij de gegevens aan [medeverdachte 4] heeft verstrekt en daaraan toevoegt: “
Ik heb [medeverdachte 4] geen informatie verstrekt die hij nog niet kende”. Nu het hof expliciet zou hebben vastgesteld dat de verdachte geen gegevens heeft verstrekt die niet reeds bij de ontvanger ( [medeverdachte 4] ) bekend waren, zou het (klaarblijkelijke) oordeel van het hof dat verdachte opzet heeft gehad op de ondersteuning en dat het uitlokken van de poging tot moord door verdachte werd bevorderd en gemakkelijk gemaakt, onbegrijpelijk zijn.
NJ1982/339 afleidt dat een inlichting die een aan de dader bekend gegeven bevat, ‘als uitlokkingsmiddel niet relevant’ is en meent dat dit ‘voor medeplichtigheid niet anders’ ligt. [15] Mij komt dat standpunt juist voor. Tegen die achtergrond is het de vraag hoe het vermelden van deze zin uit de verklaring van verdachte door het hof moet worden gelezen. Is het een kennelijke misslag, of kan het hof er daadwerkelijk van zijn uitgegaan dat ook het verstrekken van bekende gegevens strafbare medeplichtigheid op kan leveren?
hetzelfde adres als waar ik met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op voorverkenning ging in Gouda.” Als vijfde bewijsmiddel is een deel van de verklaring opgenomen die [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep op 25 juni 2014 heeft afgelegd. Daarin verklaart hij onder meer: “
[medeverdachte 4] heeft mij op enig moment een papiertje laten zien, waarop wat gegevens stonden vermeld. Ik weet nog dat er een adres in Gouda op stond. Wij zijn met z’n drieën langs die woning in Gouda gereden.” En in de als zesde bewijsmiddel opgenomen verklaring van [medeverdachte 4] van 7 april 2014 geeft deze aan dat [verdachte] de opdrachtgever was en “
relevante informatie ter beschikking heeft gesteld in relatie tot [slachtoffer]”, waaronder ‘zijn woonadres’.
sat 10 jul 2010”, in verband met de inhoud, vermeldende; “
Data e-mails afgelopen zaterdag:”.
na12 juli 2010 heeft doorgegeven en [betrokkene 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op die datum langs het huis van [slachtoffer] konden rijden omdat [medeverdachte 4] de naam en het woonadres al wist, zijn er naar het mij voorkomt onvoldoende aanwijzingen dat het papier van 21 juli 2010 op de informatie van [verdachte] terug te voeren is.
Nou, wat mij betreft de vraag is wanneer. Wat mij betreft is de vraag ‘wanneer’… als het kán voor het weekend”. De conclusie van het hof dat de gegevens in de week na 10 juli 2010 aan [medeverdachte 4] ter beschikking zijn gesteld en ‘dat deze gegevens in de periode voorafgaand aan de poging tot moord op [slachtoffer] zijn verkregen door [medeverdachte 4] ’ moet bezien tegen de achtergrond van deze bewijsconstructie, naar het mij voorkomt, zo begrepen worden dat het hof ervan uit is gegaan dat de gegevens in die week en tegelijk nog voordat — met het eerste bezoek aan Gouda — de uitvoering van de poging tot moord ter hand werd genomen, zijn verstrekt. Daarmee is dan tevens gegeven dat het hof er niet van uit is gegaan dat de verdachte aan [medeverdachte 4] gegevens verstrekte die deze al kende. Dat het hof ook de zin uit de verklaring van [verdachte] heeft overgenomen waarin deze stelt dat hij [medeverdachte 4] geen informatie heeft gegeven die deze nog niet kende, betekent in het licht van het voorgaande niet dat het hof deze zin geloofwaardig heeft geacht. Ik wijs er daarbij op dat in een bewijsoverweging redengevende feiten en omstandigheden kunnen zijn vervat, maar dat het — omgekeerd — niet zo is dat uit het vermelden van een onderdeel van een verklaring in de bewijsoverwegingen voortvloeit dat het hof daarin per definitie een redengevende omstandigheid heeft gezien. Het hof heeft deze passage uit de verklaring van verdachte overgenomen in het deel van de bewijsoverwegingen waarin het hof beargumenteert waarom het tot het oordeel is gekomen dat de informatie is verstrekt in de periode waarin het voornemen tot de moordaanslag was besproken maar deze nog moest worden uitgevoerd. De inhoud van de informatie was op dat punt in het betoog niet aan de orde.
De verdachte [verdachte] , door de oudste raadsheer met inachtneming van het bepaalde in de desbetreffende artikelen van het Wetboek van Strafvordering ondervraagd, verklaart:
specifiek gevraagd om zich uit te laten over de omstandigheid dat deze documenten bij [medeverdachte 4] zijn aangetroffen, geen verklaring (heeft) afgelegd”. Overigens is het niet uitgesloten dat het hof na het beroep op het zwijgrecht dat de verdachte in de eerste alinea doet, nog wel vragen heeft gesteld; de opmerking in de derde alinea kan daar een reactie op zijn. Maar hoe dat ook zij, de specifieke vraag waaraan het hof refereert is in ieder geval niet gerelateerd en in dat licht moet ervan uit worden gegaan dat zij niet is gesteld. [16] Dat brengt naar het mij voorkomt evenwel niet mee dat cassatie aangewezen is. Vast staat wel dat de verdachte zich bij het onderzoek ter terechtzitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Dat het hof in zijn bewijsoverweging refereert aan een specifieke vraag, betreft een misslag die naar het mij voorkomt door Uw Raad hersteld kan worden. Daardoor wordt aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering niet afgedaan. Ook als de verwijzing naar die specifieke vraag in relatie tot het beroep op het zwijgrecht van de verdachte achterwege was gebleven, was de bewezenverklaring begrijpelijk en toereikend gemotiveerd geweest. De Hoge Raad kan de bestreden uitspraak verbeterd lezen (de passage ‘, specifiek gevraagd om zich uit te laten’ kan worden weggelaten). Daardoor ontvalt de feitelijke grondslag aan het middel in zoverre daarin gesteld wordt dat het hof niet naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting heeft beslist.
vierdemiddel klaagt over schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn.