Conclusie
Nummer21/02248
Bewezenverklaring, overwegingen inzake bewijs en ontvankelijkheid OM
Het standpunt van de advocaat-generaal
Het standpunt van de verdediging
A. het openbaar ministerie de rechtbank en de verdediging op essentiële punten onjuist heeft geïnformeerd om, doelbewust en met veronachtzaming van belangen van de verdachte en de verdediging, onwettige toezeggingen aan en/of afspraken met getuige [getuige 1] , dat zij niet vervolgd zou worden, te verhullen;
Bespreking van het tweede middel
tweedemiddel ziet op de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel het uitsluiten van de bewijsvoering van de verklaringen van de getuige [getuige 1] . ’s Hofs opvatting dat de toezegging aan deze getuige dat zij niet zal worden vervolgd voor haar aandeel in de woningoverval niet kan worden beschouwd als een afspraak als bedoeld in art. 226g Sv zou getuigen van een onjuist rechtsoordeel althans onbegrijpelijk zijn. De toezegging aan een getuige dat zij niet zal worden vervolgd voor een strafbaar feit indien zij daarover als getuige een verklaring aflegt, zou verder gaan dan wet- en regelgeving toestaan. Het hof had volgens de steller van het middel moeten oordelen dat de toezegging van de politie aan getuige [getuige 1] ‘in de verste verten niet aan de daartoe gestelde regels voldeed, en vervolgens moeten bezien of en zo ja welke gevolgen dit behoorde te hebben bij de beoordeling van de gevoerde verweren aangaande de ontvankelijkheid en het uitsluiten van de bewijsvoering’.
that he had driven a hit man to and from the victim of an organised-crime-related contract killing’. Hij werd in eerste aanleg twee keer vrijgesproken maar deze vrijspraken werden in hoger beroep vernietigd, de laatste op 11 juli 2006. Getuige M. ontkende tijdens deze procedures bij vijf gelegenheden dat hij iets met deze moord van doen had of er iets van wist. Tijdens de daaropvolgende terechtzitting, op 19 maart 2007, vertelde M. evenwel dat hij de chauffeur was geweest toen K. was gedood en dat de verdachte de ‘
hitman’ was. De verdachte werd daarop veroordeeld. In hoger beroep trok de verdediging onder meer de betrouwbaarheid van M. als getuige in twijfel, ‘
arguing that he had incriminated the applicant purely in order to buy impunity from the prosecution service in connection with the charge of the murder of O. that he was facing in a different trial’ (par. 12). Deze klacht werd door het hof verworpen, ‘
observing that by changing his previous position in the present trial M. had merely incriminated himself, in addition to the applicant, but had obtained no advantage. It noted in particular that the prosecution of M. for the murder of K. had only been suspended. Moreover, the evidence from M. had been corroborated by other incriminating evidence’ (par. 15).
the change of his testimony in the applicant’s trial’ beschuldigd van de moord op een zekere O., en in verband daarmee in voorlopige hechtenis genomen. Dat onderzoek werd gesloten en M. werd op 30 maart 2006 vrijgelaten (par. 23). Tegen M. werd ook een onderzoek wegens meineed geopend in verband met ‘
having submitted conflicting versions of the applicant’s involvement in the murder of K.’ Die beslissing werd door de officier van justitie op 17 september 2009 vernietigd (par. 24). De vervolging van M. wegens betrokkenheid bij de moord op K. werd op 10 mei 2010 stopgezet ‘
on the grounds that M. had significantly contributed to the detection of a serious crime committed by an organised group and to the prosecution and conviction of its perpetrators and that, as envisaged by Article 215 § 3 of the Code of Criminal Procedure, the interests of society in detecting that crime prevailed over its interest in prosecuting M.’ (par. 25).
that his proceedings had been unfair in that his conviction had to a significant extent rested on evidence from M., who had changed his evidence in the course of the proceedings in order to benefit from a deal with the prosecution’(par. 53). Het EHRM overwoog:
Bespreking van het eerste middel
eerstemiddel betreft de afwijzing van het verzoek tot het horen van enkele officieren van justitie en verbalisanten in verband met (kort gezegd) de in de context van het tweede middel besproken toezeggingen.
‘De getuige verklaart, zakelijk weergegeven:
Welke afspraken zijn gemaakt over het relateren en de wijze van relateren, het in ongerede raken van opnamen, etc.’
De raadsmanbevestigt desgevraagd dat hij zich heeft aangesloten bij de appelschriftuur van mr. Aalmoes, de raadsvrouw van de medeverdachte [medeverdachte] , van welke appelschriftuur de voorzitter zojuist de korte inhoud heeft meegedeeld.
mr. Aalmoes voornoemd in de zaak van medeverdachte [medeverdachte]aan:
advocaat-generaalbevestigend beantwoordt.
Opmerking griffier: in verband hiermee is een kopie van de door mr. Aalmoes in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] overgelegde pleitnota aan dit proces-verbaal gehecht, waarvan de inhoud geacht moet worden hier te zijn ingevoegd.
De advocaat-generaal voert aan:
Mr. Aalmoes voert in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] aan
De raadsman voert aan:
de voorzitterde navolgende beslissingen op de verzoeken van de verdediging mee:
proces-verbaal van het verhoor in het kader van artikel 255 Sv Pro. van [getuige 1] aan het dossier toe te voegen. Wanneer [getuige 1] nogmaals is gehoord zal de advocaat-generaal, zoals door haar toegezegd, ook het proces-verbaal van dit verhoor aan het dossier toevoegen.
[getuige 1]is het noodzaakcriterium van toepassing. Het verzoek tot het horen van deze getuige is voldoende onderbouwd om die noodzaak aan te kunnen nemen. Het verzoek tot het horen van deze getuige zal het hof
toewijzen, in die zin dat zij zal worden gehoord door een (gedelegeerd) raadsheer-commissaris.
officieren van justitie [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] en van de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]als genoemd in de pleitnota van mr. Aalmoes, toetst het hof aan het noodzaakcriterium. Deze verzoeken zijn gedaan in het kader van de toetsing van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel de rechtmatigheid van het verkregen bewijs.
afwijzen.’
‘RECHTMATIGHEIDSGETUIGEN : toelichting
van de verbaliseringsplicht is niet gebleken. Wel heeft de verdediging op goede gronden bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop transparantie is betracht. De hiervoor beschreven onorthodoxe gang van zaken met betrekking tot het verhoor van [getuige 1] roept immers vragen op, die eerder gedocumenteerd beantwoord hadden kunnen en ook behoren te worden.
1) Voorafgaand aan het verhoor is door [verbalisant 1] aangegeven dat zij als getuige zou worden gehoord en die avond naar huis zou mogen (…)
overleg heeft gehad met de teamleider van het onderzoeksteam TGO-Dijk en het Openbaar ministerie om vast te stellen hoe wij verder om zouden gaan met de getuige [getuige 1] nu uit haar verklaring bleek dat zij mogelijk betrokken was bij strafbare feiten.
om de recorder op pauze te zetten en geeft aan dat ze zeker wil weten of zij zichzelf kan belasten in dit verhoor. Verbalisant [verbalisant 3] heeftdit overlegdmet de teamleiding en aan getuige wordt uitgelegd dat de verklaring die zij gaat afleggen zoals eerder vanavond niet strafrechtelijk belastend voor haar is.
“Dat ik niet vervolgd zou worden’’
[verbalisant 3] : Is dit het eerste of de tweede verklaring?
[verbalisant 4] : n.t.v.
15 januari 2018heeft het verhoor plaats gevonden door verbalisant [verbalisant 3] en [verbalisant 1] . Op vragen van de raadsvrouw Diesfeldt antwoordt verbalisant [verbalisant 1] dat in het verhoor (…)
- ".. gaande onderweg naar de .. het onderzoek naar de hoe (…) het? De overval hebben wij euh .. vastgesteld dt [getuige 1] niet alles heeft verteld euh... en informatie is niet compleet”
onwaar, omdat bij het eerste verhoor al was gebleken dat [getuige 1] als verdachte kon worden aangemerkt – de TCI informatie -, alleen is er een belangenafweging gemaakt om haar niet aan te houden als verdachte. Verdachte was zij echter wel.
als iemand al te horen heeft gekregen dat die zaak geseponeerd wordt, dan komt er ook helemaal geen zaak van (...) ”
alsverdachte is geweest op 15 januari 2018 en het tweede verhoor van [getuige 1]
alsverdachte is dan ook gekunsteld. De status als verdachte had [getuige 1] vanaf 11 mei 2018.
woorden in de mond gelegd(…) :
[verbalisant 1] Nee, nee, nee, nee... Nee.
Verdachte gehoord.
Om deze reden wenst de verdediging de verbalisanten te horen.
De officier van Justitie
De verbalisanten
Schutznorm. In het arrest van 1 december 2020 waarin Uw Raad het jurisprudentiële kader inzake de toepassing van processuele sancties heeft bijgesteld, is dit uitgangspunt intact gebleven. [21] Uit ’s hofs verwijzing naar de
Schutznormkan worden afgeleid dat het niet de verdachte is die naar ’s hofs oordeel door de gestelde onrechtmatigheid in zijn belangen is getroffen.
Schutznormin de context van de afwijzing van het getuigenverzoek kan naar het mij voorkomt (ook) tegen die achtergrond begrepen worden. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof met deze verwijzing doelt op het belang van de ‘getuige-tevens-verdachte’, brengt dat mee dat het middel op een verkeerde lezing van ’s hofs afwijzing berust. [23]
Bespreking van het derde en vierde middel
derdemiddel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring in belangrijke mate heeft doen steunen op de verklaringen van getuige [getuige 1] zonder dat het hof deze getuige heeft aangemerkt als een getuige als bedoeld in art. 360, tweede lid, Sv en op grond daarvan in het arrest in het bijzonder de redenen heeft gegeven om het bewijs aan te nemen op grond van de verklaringen van deze getuige.
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat de politie in de hal van de woning waarin het feit heeft plaatsgevonden een klok heeft aangetroffen die precies overeenkomt met de verklaring van getuige [getuige 1] , zonder dat kan blijken aan welk bewijsmiddel het hof dit heeft ontleend.