Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van het begrip 'de oppervlakte van het dichte deel' van de vloer in het oude Varkensbesluit centraal. Verdachte werd verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het huisvesten van varkens in strijd met artikel 5.2 van het Varkensbesluit, omdat de beschikbare dichte vloeroppervlakte per varken onvoldoende was.
Het hof had geoordeeld dat voor de bepaling van de oppervlakte van het dichte deel alleen aaneengesloten delen van de vloer in aanmerking komen. Verdachte voerde aan dat ook niet-aaneengesloten delen meetellen, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet strookt met de doelstelling van het besluit, dat voldoende ligruimte op een aaneengesloten dichte vloer wil garanderen.
De Hoge Raad benadrukte dat de regelgeving en de nota van toelichting duidelijk maken dat het dichte deel van de vloer zodanig moet zijn dat een varken vrij en zonder obstakels kan liggen. Dit oordeel geldt ook voor het huidige gelijkluidende artikel in het Besluit houders van dieren. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat alleen aaneengesloten delen van de dichte vloer meetellen.