Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag inzake de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2012 en 2013 behandelde.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door raadsheer Fierstra als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren op 1 juni 2018.