Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014. De kern van het geschil betreft de aftrek van specifieke zorgkosten en het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende stelde dat de Inspecteur ten onrechte bepaalde kosten niet in aanmerking had genomen, waaronder kosten voor hulpmiddelen, vervoer, kleding en alternatieve geneeskunde.
De Rechtbank had geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een bron van inkomen voor het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden en dat de specifieke zorgkosten niet volledig konden worden erkend. Dit oordeel werd onderbouwd met verwijzing naar de Wet IB 2001 en jurisprudentie, waaronder het vereiste van bewijs van daadwerkelijke kosten en het ontbreken van een voordeelsverwachting.
Het Gerechtshof bevestigt dit oordeel. Het stelt dat de kosten van een implantaat als genees- en heelkundige hulp moeten worden aangemerkt en dat de trapliftkosten niet aftrekbaar zijn. Daarnaast heeft belanghebbende geen bewijs geleverd voor hogere vervoerskosten dan gebruikelijk, noch voor extra kledingkosten of alternatieve geneeskundige behandelingen die aan de wettelijke criteria voldoen. Het verzoek tot vermindering van de aanslag en toekenning van proceskosten wordt afgewezen.
De uitspraak is op 17 juli 2018 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag, waarbij de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond wordt verklaard.