Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Bewezenverklaring en beslissingen op gevoerde verweren
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2013, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor poging doodslag en mishandeling in Almere.
De aanvrager stelde dat het hof niet-ontvankelijk had moeten verklaren het Openbaar Ministerie vanwege een zoekgeraakt mes en dat het beroep op noodweer gehonoreerd had moeten worden als het hof bekend was geweest met nieuw forensisch onderzoek aan het teruggegeven mes en kledingstukken.
De Hoge Raad overwoog dat het teruggegeven mes het gebruikte mes betreft en dat het enkele feit dat dit mes beschikbaar was voor onderzoek geen ernstig vermoeden wekt dat het hof tot niet-ontvankelijkheid had moeten besluiten. Ook het forensisch onderzoek aan het mes en de kleding wekte geen ernstig vermoeden dat het hof tot ontslag van rechtsvervolging had moeten komen, mede omdat het hof reeds rekening hield met een verwonding in de rug die niet aannemelijk door een mes was toegebracht.
De Hoge Raad concludeerde dat de aanvraag ongegrond is en wees het verzoek tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling van zes jaar gevangenisstraf.