ECLI:NL:HR:2018:849

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
16/05351
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 WbmArt. 44 lid 2 WbmArt. 14 lid 1 onderdeel a Richtlijn 2003/96/EGArt. 110 VWEUArt. 1 Eerste Protocol EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afschaffing vrijstelling kolenbelasting niet in strijd met Unierecht en verdragsrecht

De zaak betreft een geschil over de afschaffing van de vrijstelling voor de invoer en uitslag van kolen die worden gebruikt als brandstof voor elektriciteitsopwekking met een elektrisch rendement van minimaal 30 procent. Belanghebbende, een vennootschap, had bezwaar gemaakt tegen de door haar betaalde kolenbelasting over januari en februari 2013.

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had uitspraak gedaan in hoger beroep, maar de Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. Belanghebbende stelde incidenteel beroep in cassatie in. De Hoge Raad heeft het incidentele beroep ongegrond verklaard en het beroep van de Staatssecretaris gegrond, waardoor het arrest van het hof werd vernietigd en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

De Hoge Raad oordeelde dat de afschaffing van de vrijstelling niet in strijd is met het Unierecht, waaronder artikel 14, lid 1, onderdeel a, van Richtlijn 2003/96/EG, noch met het verdragsrechtelijke eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Tevens is geoordeeld dat de heffingsgrondslag niet verminderd hoeft te worden met het in de kolen aanwezige water en as.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan een partij toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door vijf raadsheren onder voorzitterschap van J.A.C.A. Overgaauw en in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski op 8 juni 2018.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de afschaffing van de vrijstelling voor kolenbelasting niet in strijd is met Unierecht of verdragsrecht.

Uitspraak

8 juni 2018
nr. 16/05351
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's‑Hertogenboschvan 23 september 2016, nrs. 15/00618 en 15/00619, op het hoger beroep van
[X] B.V.(thans: [X] B.V.) te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 14/152 en 14/153) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan kolenbelasting over de tijdvakken januari 2013 en februari 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op de conclusies van de Advocaat-Generaal C.M. Ettema van 1 februari 2017 in de zaken met de nummers 15/05429 (ECLI:NL:PHR:2017:27) en 16/01382 (ECLI:NL:PHR:2017:28).

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 2.3 tot en met 2.5 van het heden in de zaak met nummer 16/01382 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel strekt tot ondersteuning van het standpunt van belanghebbende dat afschaffing van de vrijstelling in strijd is met artikel 14, lid 1, letter a, van Richtlijn 2003/96. In de onderdelen 2.3 tot en met 2.5 van het hiervoor in onderdeel 2 genoemde arrest van de Hoge Raad is dat standpunt op de aldaar vermelde gronden onjuist bevonden. Het middel faalt derhalve.

4.Slotsom

Gelet op het hiervoor in onderdeel 2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De door het Hof onbehandeld gelaten grieven van belanghebbende falen op de gronden vermeld in onderdeel 5 van het heden in de zaak met nummer 16/05350 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. De uitspraak van de Rechtbank moet daarom worden bevestigd.

5.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.