ECLI:NL:HR:2018:862

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
15/05429
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 lid 2 Wet belastingen op milieugrondslagArt. 14 lid 1 onderdeel a Richtlijn 2003/96/EGArt. 11 Overeenkomst inzake Partnerschap en Samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en de Russische FederatieArt. 110 VWEUArt. III GATT
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid afschaffing vrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking

Belanghebbende, een vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake de heffing van kolenbelasting over januari 2013. Het geschil betrof de afschaffing van de vrijstelling voor invoer en uitslag van kolen die worden gebruikt als brandstof voor elektriciteitsopwekking in installaties met een elektrisch rendement van minimaal 30 procent.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende behandeld en daarbij verwezen naar een eerder arrest met nummer 16/01382, waarin soortgelijke rechtsvragen tussen dezelfde partijen aan de orde waren. De middelen van belanghebbende faalden op dezelfde gronden als in dat arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de afschaffing van de vrijstelling niet in strijd is met het Unierecht, waaronder de Richtlijn 2003/96/EG, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en internationale afspraken zoals het GATT. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018. Hiermee is het beroep in cassatie ongegrond verklaard en is de uitspraak van het Gerechtshof bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en de afschaffing van de vrijstelling voor kolenbelasting bevestigd.

Uitspraak

8 juni 2018
nr. 15/05429
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] N.V.(thans: [X] N.V.) te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 16 oktober 2015, nr. BK‑14/01429, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/10366) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan kolenbelasting over het tijdvak januari 2013. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 1 februari 2017 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2017:27).
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 16/01382 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.