ECLI:NL:HR:2018:867

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
17/06039
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieInvorderingswet 1990
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aansprakelijkstelling omzetbelasting fiscale eenheid

Belanghebbende, een B.V., heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling op grond van de Invorderingswet 1990 werd afgewezen. De beschikking betrof de nageheven omzetbelasting over de periode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 binnen de fiscale eenheid bestaande uit [X 2] Holding B.V. en [X 1] B.V. te [Z].

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het beroep in cassatie is daarom ongegrond verklaard. Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties omtrent de aansprakelijkstelling voor de nageheven omzetbelasting binnen de fiscale eenheid.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling voor nageheven omzetbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

8 juni 2018
nr. 17/03069
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X 1] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ‘s-Hertogenboschvan 10 november 2017, nr. 16/03642, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/7562) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van de fiscale eenheid [X 2] Holding B.V. en [X 1] B.V. te [Z] nageheven omzetbelasting over de periode 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.