Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
12 juni 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden tijdens de cassatiefase.
De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan. Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd met een maand, van negen naar acht maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en wees het beroep voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 juni 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van negen naar acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.