Conclusie
Waar het in deze zaak om gaat
Het middel
middelkeert zich tegen de toewijzing van de vorderingen van de drie benadeelde partijen ten aanzien van immateriële schade en tegen de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van deze personen. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de drie benadeelde partijen ten gevolge van het in de zaak met parketnummer 10-006755-15 bewezenverklaarde feit voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade hebben geleden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
Relevante stukken van het geding
Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregelen
a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;
[...]”
omvangvan deze vergoeding, geniet de rechter grote vrijheid. [9] De vaststelling van de schadevergoeding “naar billijkheid” geeft ruimte rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval. [10] Wat betreft de
gevallenwaarin ander nadeel voor vergoeding in aanmerking komt, stond de wetgever een restrictiever stelsel voor ogen. Met de limitatieve opsomming van die gevallen in art. 6:106 BW Pro is, in de woorden van de civiele kamer van de Hoge Raad, “beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken”. [11]
De rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad
civiele kamervan de Hoge Raad is aan de laatste grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW nader invulling gegeven. Op andere wijze in zijn persoon aangetast, is de benadeelde (in de eerste plaats) wanneer hij geestelijk letsel heeft opgelopen. Een meer of minder sterk psychisch onbehagen volstaat daartoe niet. [20] Vereist is dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte wordt vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. [21] De partij die zich op een dergelijke aantasting van de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. [22]
NJ2012/410 lijkt te kunnen worden afgeleid dat hiervoor slechts in meer bijzondere gevallen plaats is. In die zaak overwoog de Hoge Raad:
kanbieden, terwijl intussen niet
iedereinbreuk op die levenssfeer voldoende is om te spreken van een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW. Deze drie uitspraken verdienen hier aandacht.
NJ2005/391, m.nt. Vranken hadden de gelaedeerde en zijn echtgenote een aantal uren in een zeer bedreigende situatie verkeerd; gedurende oudejaarsnacht belaagde een groep jongeren hun woning driemaal en bracht deze groep vernielingen aan de woning toe. Het echtpaar had uren tevergeefs moeten wachten op bijstand en hulp van de politie. Zij spraken de gemeente Groningen aan tot vergoeding van onder meer immateriële schade. Dat deed ook hun thuiswonende zoon die op de bewuste avond elders was. In cassatie kwam de gemeente Groningen (onder andere) op tegen de toewijzing van de immateriële schadevergoeding aan de drie bewoners. Toenmalig P-G Hartkamp stelt in zijn conclusie onder verwijzing naar het standpunt van de wetgever dat “vaststaat dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waartoe ook een schending van het recht op eerbiediging van de woning kan worden gerekend, een grond kan opleveren voor vergoeding van immateriële schade als bedoeld in art. 6:106 lid 1 onder Pro b BW.” Hij wijst erop dat in de literatuur aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wel nadere eisen worden gesteld vooraleer deze een aantasting in de persoon oplevert. Die nadere eisen hebben zijns inziens echter vooral betrekking op ‘gewone’ verstoringen van het woongenot, zoals lawaai en stank, waarvan het verband met de persoonlijke integriteit onvoldoende direct is. [28] Van slechts een ‘gewone’ verstoring is bij deze oudjaarsnachtrellen echter geen sprake en hij concludeert dan ook tot verwerping van het beroep. Ten aanzien van het echtpaar is de Hoge Raad hetzelfde oordeel toegedaan:
NJ2006/606, m.nt. Vranken over
Baby Kelly, Wrongful life– klinkt eveneens door dat krenkingen in de sfeer van art. 8 EVRM Pro een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 BW Pro kunnen opleveren, maar dat niet iedere onrechtmatige inperking van die grondrechtelijke bepaling daarvoor voldoende is. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat zowel de moeder als de vader van een gehandicapt geboren kind jegens (de werkgever van) een verloskundige die heeft nagelaten noodzakelijk prenataal onderzoek te verrichten, aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade. De vordering van beide ouders was toewijsbaar, nu de uitoefening van het keuzerecht tot afbreking van een zwangerschap aan de ouders is onthouden en zij bijgevolg niet ervoor hebben kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. Daarmee wordt een ernstige inbreuk gemaakt op hun zelfbeschikkingsrecht. Een zo ingrijpende aantasting van een zo fundamenteel recht als in dit geval aan de orde, moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW zonder dat nodig is dat geestelijk letsel is vastgesteld. Maar voor zover de vordering van de vader erop berust dat zijn (gezins)leven langdurig zal worden overschaduwd door de problematiek die een ernstig gehandicapt kind met zich brengt, heeft het hof hem deze vordering terecht ontzegd. Voor toewijzing van de vordering ook in dat opzicht, zou geestelijk letsel van de vader als gevolg van de gemaakte fout zijn vereist (rov. 4.8 en 4.9). De aantasting van zijn “family life” was in zoverre kennelijk niet voldoende voor een aantasting in de persoon.
NJ2013/479. De redactie van dagblad Het Parool had een foto van een verdachte van een (dodelijk) geweldsmisdrijf in de krant geplaatst. Het gerechtshof had geoordeeld dat deze inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene zwaarder woog dan de vrijheid van meningsuiting van Het Parool. Waarnemend A-G Hammerstein meent in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest (onderdeel 2.19) dat de toewijsbaarheid van de vordering tot immateriële schadevergoeding van de afgebeelde persoon hiermee is gegeven. De Hoge Raad komt tot een vergelijkbaar oordeel, maar nuanceert dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer “kan” worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW die aanspraak geeft op vergoeding van immateriële schade. In het oordeel van het hof dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dient te wegen dan het recht op vrijheid van meningsuiting, ligt besloten dat de publicatie van het portret inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Daarmee is in “een geval als het onderhavige — een onrechtmatige perspublicatie — de aanspraak op schadevergoeding wegens aantasting in de persoon in de zin van die bepaling gegeven”, zo overweegt de Hoge Raad (rov. 3.4.2). Het oordeel van het hof dat aanspraak op vergoeding van immateriële schade kon worden gemaakt, is dus juist; in het verlengde van eerdere uitspraken wordt de mogelijkheid opengelaten dat niet
elkeinbreuk op de persoonlijke levenssfeer het oordeel kan dragen dat de benadeelde in zijn persoon is aangetast.
Van de in art. 6:106 lid Pro 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (vgl. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2551, rov. 3.4).
Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 lid Pro 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 379 en p. 380).
HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519 (Blauw oog) moet ook aldus worden verstaan.
In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerden, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen.
4.2.2 Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid Pro 1, onder b, BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
De vergoeding van immateriële schade in de strafrechtspraak
strafkamervan de Hoge Raad heeft zich tot op heden slechts incidenteel expliciet uitgesproken over het toepassingsbereik van art. 6:106, aanhef en onder b, BW. [29] Een arrest waarin nadere invulling wordt gegeven aan het begrip “aantasting in de persoon op andere wijze”, heb ik niet aangetroffen. Meest in de buurt komt de in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2923 te lezen instructie aan het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen. Het hof had de verdachte veroordeeld wegens diefstal door middel van een valse sleutel. Bewezenverklaard was onder meer dat de verdachte onbevoegd een geldbedrag toebehorende aan de benadeelde partij door middel van internetbankieren had overgeboekt. In eerste aanleg was de vordering van deze benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarvan € 500,- betrekking had op immateriële schade. De namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddelen konden niet tot cassatie leiden. Ambtshalve vernietigde de Hoge Raad de bestreden uitspraak evenwel ten dele, omdat het hof had verzuimd te beslissen op de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze in eerste aanleg was toegewezen. Alvorens om die reden de zaak partieel terug te wijzen, wees de Hoge Raad nog uitdrukkelijk op de inhoud van art. 6:106, eerste lid, BW (oud) en haalde hij deze bepaling aan. Dat laat zich mijns inziens moeilijk anders begrijpen dan als een vingerwijzing aan de na terugwijzing oordelende rechter om op dit punt de restrictieve wettelijke regeling uit het BW in acht te nemen bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij aangaande de vergoeding van immateriële schade. Voor zover het zich door de cassatierechter liet beoordelen, lag toewijzing van dit onderdeel van de vordering kennelijk niet zonder meer voor de hand. [30]
Beoordeling van het middel
omvangvan het schadebedrag. Als eerder gezegd (zie randnummer 12) heeft de rechter in dat opzicht veel vrijheid.