Belanghebbende maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing over januari 2017 vanwege een forfaitaire bijtelling van 25% voor privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto met eerste toelating in 2015.
De Rechtbank Den Haag oordeelde dat de overgangsregeling in artikel 36c Wet LB 1964, die het oude bijtellingspercentage behoudt voor auto's met datum eerste toelating vóór 1 januari 2017, niet in strijd is met het IVBPR en het EVRM, en dat er geen sprake is van een buitensporige last in de zin van het Eerste Protocol bij het EVRM.
In cassatie stelde belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de overgangsregeling niet evident van redelijke grond is ontbloot. De Hoge Raad bevestigde dat wetswijzigingen met overgangsrecht ongelijkheid kunnen veroorzaken zonder dat dit discriminatie is, mits er een redelijke en objectieve rechtvaardiging is.
De Hoge Raad concludeerde dat de overgangsregeling een redelijke grond heeft, mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis en beleidsmatige overwegingen zoals rechtszekerheid en uitvoerbaarheid. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.