Deze zaak betreft het derde cassatieberoep tegen een boetebeschikking wegens grove schuld in de belastingheffing. Na eerdere vernietigingen en verwijzingen door de Hoge Raad, oordeelde het Hof dat de redelijke termijn van berechting was overschreden na het tweede verwijzingsarrest, waardoor de boete met 5% werd verminderd.
Belanghebbende en de Staatssecretaris stelden verschillende middelen in cassatie voor. De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van de redelijke termijn na cassatie en verwijzing alleen de duur vanaf het tweede verwijzingsarrest in aanmerking wordt genomen. Voortvarende behandeling in eerdere procesfasen mag niet compenseren voor overschrijding na verwijzing.
Het Hof had de boete verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten, maar de Hoge Raad vernietigde dit oordeel. De boete werd verminderd tot €10.209, maar het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de kostenveroordelingen werden teruggedraaid.
De uitspraak bevestigt de jurisprudentie over de redelijke termijn in fiscale boetezaken en verduidelijkt de toepassing na cassatie en verwijzing, met nadruk op het belang van tijdige uitspraak door de verwijzingsrechter binnen een jaar.