Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1049

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2019
Publicatiedatum
27 juni 2019
Zaaknummer
17/04516
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.15 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing alleenstaande-ouderkorting bij inschrijving kind in jeugdinstelling

Belanghebbende vorderde de alleenstaande-ouderkorting over 2013, maar voldeed niet aan de eis dat hij en zijn minderjarige zoon gedurende meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stonden ingeschreven. De zoon verbleef van 1 januari tot en met 28 augustus 2013 in een jeugdinstelling en stond daar ingeschreven.

Het hof oordeelde dat het niet voldoen aan deze inschrijvingseis geen beletsel vormde voor de korting, omdat belanghebbendes situatie vergelijkbaar zou zijn met die van binnenschippers die op grond van een goedkeurende regeling begunstigd worden. Het hof paste het gelijkheidsbeginsel toe en kende de korting toe.

De Hoge Raad stelde echter vast dat de situatie van een kind dat in een jeugdinstelling verblijft feitelijk en rechtens niet vergelijkbaar is met die van binnenschippers die op hetzelfde briefadres staan ingeschreven vanwege het ontbreken van een vaste ligplaats. Hierdoor was het hof ten onrechte van het gelijkheidsbeginsel uitgegaan.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, die de korting had afgewezen. Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting omdat zijn kind niet op hetzelfde woonadres stond ingeschreven.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 17/04516
28 juni 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 15 augustus 2017, nr. 16/01369, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/3334) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-generaal P.J. Wattel heeft op 20 december 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie en tot buiten behandeling laten van het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1413, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2018:1511).
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.
Belanghebbende voldeed in 2013 aan de eisen van artikel 8.15 Wet IB 2001 (tekst 2013) om in aanmerking te komen voor de alleenstaande-ouderkorting, met uitzondering van de eis dat hij en zijn minderjarige zoon gedurende meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA). De zoon was van 1 januari tot en met 28 augustus 2013 in de GBA ingeschreven op het adres van een jeugdinstelling.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende voor het jaar 2013 recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting.
2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat het niet voldoen aan de eis van inschrijving op hetzelfde woonadres in dit geval geen beletsel vormt voor toepassing van de alleenstaande-ouderkorting, aangezien de situatie van belanghebbende vergelijkbaar is met die van binnenschippers voor wie op grond van een goedkeurende regeling (besluit van 11 november 2011, nr. BLKB2011/1208M, Stcrt. 2011, 20910) begunstigend beleid geldt. Het gelijkheidsbeginsel brengt mee dat het begunstigende beleid ook bij belanghebbende wordt toegepast, aldus het Hof.

3.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

3.1.
Het middel in het principale beroep bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat belanghebbende niet voldoet aan de eisen die artikel 8.15 Wet IB 2001 voor het jaar 2013 aan de aanspraak op de alleenstaande-ouderkorting stelt en dat voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel geen plaats is omdat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van binnenschippers.
3.2.
De situatie waarin een belastingplichtige en een kind niet gedurende meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres ingeschreven staan in de GBA omdat het kind wegens verblijf in een jeugdinstelling op een ander woonadres is ingeschreven, is feitelijk en rechtens niet vergelijkbaar met de situatie die is omschreven in het door het middel aangehaalde besluit, te weten het geval waarin een binnenschipper samen met het kind is ingeschreven op hetzelfde briefadres in verband met de omstandigheid dat een binnenvaartschip geen vaste ligplaats heeft die als woonadres in de GBA kan worden ingeschreven. Dit is in het bestreden oordeel miskend. Het middel slaagt.

4.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel in het incidentele beroep kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Slotsom

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat belanghebbende voor het jaar 2013 niet voldoet aan de wettelijke eisen voor de alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.15 Wet IB 2001). De uitspraak van de Rechtbank zal worden bevestigd.

6.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op
28 juni 2019.