Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
überhauptniet mogelijk of te gevaarlijk is, of inschrijving op een woonadres wel mogelijk is, maar niet op hetzelfde adres. De zaak met nummer 17/04516 betreft een alleenstaande vader en diens zoon die een groot deel van het geschiljaar geplaatst was in een jeugdinstelling en daardoor meer dan zes maanden van dat jaar ingeschreven stond op een ander woonadres dan zijn vader; het tweede geval met nummer 18/01717 betreft een alleenstaande moeder en haar kind die beiden op een postadres en niet op een woonadres staan ingeschreven in verband met huiselijk geweld en
stalkingdoor de ex-partner van de moeder.
2.De alleenstaande-ouderkorting
Wetgeving en gepubliceerd beleid
Vraag Platvoet (GroenLinks) (co-ouders)
BNB2008/243 [13] stond de dochter van de belanghebbende (een vader) het hele jaar ingeschreven op het adres van haar moeder. Beide ouders besteedden evenveel tijd aan de opvoeding van hun dochter, die (dan) ook even lang bij beide ouders verbleef. De kosten van haar opvoeding werden gelijkelijk verdeeld over de ouders. Onder de Wet IB 1964 had de belanghebbende recht op de alleenstaande-ouderaftrek, maar onder de Wet IB 2001 niet meer omdat dochter bij moeder stond ingeschreven. Hij betoogde dat zijn uitsluiting van de alleenstaande-ouderkorting onder de Wet IB 2001 een schending was van art. 1 Grondwet Pro en de verdragsrechtelijke discriminatieverboden omdat hij in precies dezelfde positie verkeerde als de moeder op de minstens-zes-maanden-adresinschrijving na, die nu eenmaal slechts bij één ouder mogelijk is. Het hof had als volgt overwogen:
BNB2008/243 (zie 2.13), geen ruimte bestond om aan te sluiten bij de feitelijke woonplaats. Ervan uitgaande dat in die zaak de moeder de korting wél had genoten, [16] en gegeven dat het de ouders vrijstond om te kiezen op wiens adres de kinderen werden ingeschreven en de moeder de waarde van de korting kon doorbetalen aan de belanghebbende, lijkt deze zaak mij niet relevant voor de onze, waarin geen keuzes bestaan en
niemandde korting dreigt te krijgen.
BNB2008/243 (zie 2.13) en naar HR 3 oktober 2008 (art. 81 Wet Pro RO), [19] in welke laatste zaak het hof Amsterdam [20] het beroep ongegrond had verklaard van een belanghebbende wiens kinderen stonden ingeschreven op het adres van zijn ex-echtgenote, maar één of twee zonen feitelijk meer dan zes maanden op belanghebbendes adres hadden gewoond.
V-N(2017/58.2.1) tekende aan dat inspecteur hoger beroep heeft ingesteld. Ik heb in de gepubliceerde rechtspraak nog geen uitspraak in hoger beroep gevonden. De Haan (
NTFR2017/2683) betwijfelt de juistheid van de uitspraak:
3.Andere regelingen waarvoor de inschrijvingseis geldt
BNB2009/243 [25] betrof de fiscale partnerregeling, met name de toepassing van de algemene heffingskorting. U oordeelde dat ook als de partners feitelijk op hetzelfde adres zouden hebben gewoond, geen recht bestond op de algemene heffingskorting als niet aan de inschrijvingseis was voldaan:
4.Discriminatieverbod en gelijkheidsbeginsel
Het verdragsrechtelijk discriminatieverbod
Della Ciaja a.o. v Italy [28] dat aan de verdragstaten een ruime beoordelingsmarge toekomt als het om rechtvaardigen van mogelijk ongelijke behandeling bij de belastingheffing gaat:
Burden and Burden v UKbetrof een zwaardere erfbelasting voor van elkaar ervende, hun leven lang samenwonende zusters dan voor gehuwden of geregistreerde partners in overigens gelijke omstandigheden (gemene eigendom van het gezamenlijke woonhuis). De gewone 7-Kamer van het EHRM achtte dat een ongeoorloofde fiscale discriminatie, maar de
Grand Chamberoordeelde in intern hoger beroep dat het VK de gevallen als niet-vergelijkbaar kon beschouwen: [30]
Burden and Burden v UK(…) volgt dat een werkbaar belastingsysteem moet categoriseren en dus onvermijdelijk onderscheid moet maken tussen groepen belastingbetalers en dat dergelijke onderscheidingen slechts verboden zijn als zij gebaseerd worden op discriminerende criteria, dat wil zeggen ofwel verdachte kenmerken zoals ras of geloof, ofwel op anderszins voor de belastingheffing irrelevante en daarmee willekeurige criteria, die om die reden niet gerechtvaardigd kunnen worden (
devoid of reasonable foundation), ondanks de in sociaal-economische kwesties ruime beoordelingsmarge van de wetgever (zie Della Ciaja /Italië (…)).”
wide margin of appreciationheeft, en het zelfs niet om materiële wetgeving gaat, maar om beleid en bestuur, dus de (wijze van) uitvoering van wetgeving. De conclusie voor HR
BNB2008/4, [32] betreffende een beroep op dezelfde fiscale behandeling als de bewoners van het woonwagenkamp Vinkenslag vermeldt:
BNB2009/299 [34] was in geschil of onttrekking van de ondergrond van een bestaande woning aan het ondernemingsvermogen (voor welk geval begunstigende toepassing van de landbouwvrijstelling bestond) fiscaal relevant afwijkt van onttrekking van onbebouwde cultuurgrond aan het ondernemingsvermogen voor de bouw van een woning (belanghebbendes geval). U oordeelde dat het begunstigende beleid berustte op een verkeerde rechtsopvatting van de staatssecretaris van Financiën over het bereik van de landbouwvrijstelling en dat het achterwege zou zijn gebleven bij een correcte rechtsopvatting, zodat het niet op andere gevallen kon worden toegepast dan die waarop het expliciet gericht was, tenzij het onjuiste beleid zou worden voortgezet na het gebleken zijn van zijn onjuistheid. Alsdan zou het begunstigende beleid – alleen voor de toekomst – ook voor belanghebbendes geval moeten gelden:
BNB2012/110 [35] betrof hetzelfde geschil als HR
BNB2009/299 en hetzelfde onjuiste beleid ter zake van de landbouwvrijstelling bij onttrekking van ondergrond van een bestaande woning, maar nu was aannemelijk dat het desbetreffende aspect van het begunstigende beleid losstond van de onjuistheid van de rechtsopvatting van de staatssecretaris over het bereik van de landbouwvrijstelling. Het hof had geoordeeld dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel volgens HR
BNB2010/146 faalt als de staatssecretaris, nadat hij op de onjuistheid van zijn rechtsopvatting is gewezen, binnen een redelijke termijn zijn daarop gebaseerde onjuiste beleid beëindigt. Volgens het hof had de staatssecretaris daar in casu onredelijk lang (een half jaar) over gedaan, reden voor het hof om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te honoreren. U oordeelde echter dat de desbetreffende begunstiging een zelfstandige tegemoetkoming behelsde die niet was ingegeven door een onjuiste rechtsopvatting en dat de belanghebbende zich daarom, ongeacht of de staatssecretaris te veel tijd had genomen, met vrucht op het gelijkheidsbeginsel kon beroepen:
5.Analyse
BNB2008/243 (zie 2.13) heeft u geoordeeld dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven door de inschrijvingseis te stellen. Dat oordeel laat zich horen, gegeven dat het co-ouders zoals in die zaak vrijstond om te bepalen bij wie een kind na hun scheiding werd ingeschreven en om de (waarde van de) (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting naar eigen inzicht te verdelen. Co-ouders met meer kinderen konden de kinderen over hun woonadressen verdelen en die met één kind konden de korting verdelen. Bovendien kon de ouder bij wie een kind niet stond ingeschreven voor dat kind onderhoudskosten aftrekken als hij het in betekenende mate onderhield (zie art. 6.13-6.15 (oud) Wet IB 2001). De fiscale wetgever heeft echter kennelijk niet het geval voorzien waarin het kind wél bij een ouder woont maar niet op het adres van die ouder of van de andere ouder kan worden ingeschreven, of dat waarin ouder en kind geen van beiden op enig adres kunnen worden ingeschreven, of dat waarin zij wel beiden kunnen worden ingeschreven, maar ondanks voldoen aan de materiële eisen niet op
hetzelfdeadres, of waarin het anderszins als gevolg van de inschrijvingseis redelijkerwijs onmogelijk is om de korting (enkelvoudig) te genieten hoewel met vlag en wimpel aan alle materiële vereisten is voldaan. De fiscale wetgever lijkt zonder meer voorondersteld te hebben dat alle inwoners van Nederland overeenkomstig de verplichting daartoe ex art. 65 van Pro de Wet GBA (zie 2.3 hierboven) op een woonadres ingeschreven staan. Alleen in het door de verzoekschriftencommissie beoordeelde geval (zie 2.20) van een illegale verblijfstatus van het kind (of van de ouder) kan aangenomen worden dat de wetgever, hoewel ook dat geval niet voorzien is in de fiscale wetsgeschiedenis, geen korting wilde geven ondanks voldoen aan de materiële eisen, omdat uit andere bron (de Koppelingswet [36] ) duidelijk is dat de (niet-fiscale) wetgever illegalen in beginsel hoe dan ook niet in aanmerking wil laten komen voor de sociale en fiscale tegemoetkomingen voor (legale) Nederlands ingezetenen.
BNB2008/243 waarnaar iedereen verwijst (zie 2.13), gaat dan ook over een andere kwestie dan de nu te beoordelen zaken, nl. over het verzet van co-ouders tegen een door de wetgever expliciet wél gewenst gevolg van de wetswijziging van 2001, nl. ontdubbeling van de dubbele alleenstaande-ouderaftrek die onder de Wet IB 1964 bestond voor gescheiden wonende co-ouders.
Uiteraardvalt die wens binnen de beoordelingsruimte van de wetgever, mede gezien de aftrekmogelijkheden voor de co-ouder bij wie het kind niet ingeschreven stond, de inschrijvingsvrijheid van de ouders en hun vrijheid om de waarde van de alleenstaande-ouderkorting (en van de onderhoudsaftrek) te verdelen naar eigen inzicht. In onze zaken gaat het om iets anders: wat te doen in door de fiscale wetgever
niet-voorziene gevallen waarin zelfs
enkelvoudigekorting onmogelijk is uitsluitend als gevolg van de onmogelijkheid om (
überhauptof) op een(zelfde) woonadres ingeschreven te staan? HR
BNB2008/243 lijkt mij daarom nauwelijks relevant voor onze zaken, evenmin als de co-ouderdiscussie.
kaninschrijven; zie 2.18), had dan ook een andere afloop: de rechtbank Gelderland kende de alleenstaande-ouderkorting in dat geval wél toe aan de alleenstaande vader omdat diens geval volledig binnen doel en strekking van de wettelijke regeling én van het begunstigende beleid in het Besluit viel en niet in geschil was dat aan alle materiële voorwaarden was voldaan en een dubbele aanspraak door twee ouders zich niet kon voordoen. Gegeven dat de fiscale wetgever niet gedacht heeft aan gevallen waarin inschrijving –
überhauptof op hetzelfde adres – onmogelijk of te gevaarlijk is, en dat de basisregistratiewetgever wél een voorziening heeft getroffen (briefadres) voor gevallen waarin inschrijving op een woonadres om veiligheids-, privacy
-of andere redenen niet mogelijk is of niet van de betrokkenen gevergd kan worden, meen ik dat de rechtbank het in 2.6 geciteerde Besluit over binnenvaartschippers er niet bij had hoeven halen om die alleenstaande vader de korting toe te kennen. Zoals de rechtbank ook oordeelde, kan er weinig twijfel over bestaan dat de wetgever bedoelde dat gevallen zoals dat van die vader in aanmerking zouden komen voor de alleenstaande-ouderkorting, maar dat hij zich niet realiseerde dat zich dergelijke gevallen zouden voordoen.
fiscalewetgever precies gedaan zou hebben als hij wél had gedacht aan de gevallen waarin onmiskenbaar aan alle materiële eisen voor de korting wordt voldaan, maar het buiten toedoen van de belanghebbende onmogelijk of te gevaarlijk is om aan het formele criterium te voldoen, dat door de wetgever slechts om uitvoerbaarheids- en ontdubbelingsredenen is gesteld.
contrateleologisch werkt als geen uitvoerbaarheids-, bewijs- of dubbele-aanspraakproblemen bestaan. Dat die problemen niet bestaan, moet wel vaststaan. Gegeven de expliciete wensen van helderheid en uitvoerbaarheid van de wetgever moet de bewijslast daarvan dus op de belanghebbende worden gelegd.