Betrokkene was op grond van een voorlopige machtiging opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf. De rechtbank verleende deze voor de periode van 13 juni 2017 tot 13 juni 2018. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking en verwees de zaak terug vanwege onvoldoende motivering omtrent het verzoek tot nader deskundigenonderzoek.
Na verwijzing vond een mondelinge behandeling plaats op 1 mei 2018, waarna de rechtbank bij eindbeschikking van 12 september 2018 het verzoek tot voortgezet verblijf toewijst tot 6 september 2019. Betrokkene klaagde dat de rechtbank niet tijdig had beslist, met overschrijding van de termijnen zoals bedoeld in de Wet Bopz en het EVRM.
De Hoge Raad stelt dat de Wet Bopz geen specifieke termijnen bevat voor het geding na cassatie, maar dat het EVRM en de Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereisen dat de rechter spoedig beslist en waakt tegen onredelijke vertraging. De rechtbank had binnen vier weken na de beschikking van de Hoge Raad een mondelinge behandeling moeten houden en binnen vier weken daarna moeten beslissen over aanhouding of machtiging. De vertraging tussen 9 februari 2018 en 1 mei 2018 is niet gemotiveerd en onredelijk.
De Hoge Raad vernietigt daarom het gedeelte van de beschikking over de geldigheidsduur van de machtiging en bekort deze tot 19 juli 2019, waarbij de machtiging verder in stand blijft.