Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende op 16 december 2015 een machtiging tot voortgezet verblijf tot 17 december 2016, na aanhouding van de zaak voor een deskundigenonderzoek dat niet binnen de redelijke termijn werd afgerond.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank de beslistermijn van vier weken na ontvangst van het deskundigenrapport heeft overschreden, wat in strijd is met art. 17 en Pro 48 Wet Bopz en art. 5 EVRM Pro. De rechtbank had binnen twee maanden na aanhouding de zaak moeten hervatten en binnen vier weken daarna moeten beslissen. Door de overschrijding werd betrokkene langer onrechtmatig van vrijheid beroofd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank de overschrijding in mindering had moeten brengen op de geldigheidsduur van de machtiging, waardoor deze niet tot 17 december 2016 maar tot uiterlijk 6 september 2016 had moeten gelden.
De Hoge Raad bevestigt dat de medische verklaring waarop de machtiging is gebaseerd recent genoeg was en dat het uitblijven van contra-expertise niet tot vernietiging van de machtiging leidt. De overige klachten worden verworpen.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van 16 december 2015 voor zover de geldigheidsduur betreft en bepaalt dat de machtiging geldt tot uiterlijk 6 september 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor de geldigheidsduur van de machtiging en stelt deze vast tot uiterlijk 6 september 2016.