ECLI:NL:HR:2019:120

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2019
Publicatiedatum
28 januari 2019
Zaaknummer
17/03398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten. De betrokkene stelde cassatiemiddelen in tegen het hofarrest, onder meer over bewijs en de omvang van het genoten voordeel.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen over bewijs en het verweer dat anderen dan betrokkene en medebetrokkene van het wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten, niet tot cassatie konden leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.

Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en verminderde deze van €780.670,- naar €775.670,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 29 januari 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €780.670,- naar €775.670,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

29 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/03398 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2017, nummer 20/003358-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan overeenkomstig de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 780.670,-.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 775.670,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 januari 2019.