“Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat bij haar berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel moet worden geschat, net als de officier van justitie, uit van de berekening in voornoemd rapport.
De stelling dat de veroordeelde niet schuldig is aan de hem verweten feiten, wordt weerlegd door de veroordeling van het Gerechtshof van 22 september 2017 waarbij bewezen is verklaard dat de veroordeelde in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2014 verdovende middelen heeft verkocht. Dit is dezelfde periode als waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd.
Dat de veroordeelde daarmee wederrechtelijk voordeel heeft verkregen is evident, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat met de handel in verdovende middelen winsten worden gegenereerd. Dat er geen vermogenscomponenten bij de veroordeelde zijn aangetroffen, betekent niet dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Omdat de veroordeelde geen verklaring heeft afgelegd, is gekeken naar andere gegevens. De telefoon die aan de veroordeelde wordt toegeschreven is gedurende twee weken getapt en over een periode van negen maanden zijn de historische gegevens opgevraagd. Daaruit blijkt van een dagelijkse handel in verdovende middelen. Ook getuigen hebben verklaringen afgelegd, waarin dit wordt bevestigd. Gelet op de onderzoeksgegevens in het dossier acht de rechtbank de methode van extrapolatie gerechtvaardigd.
(…)
De berekening is dan als volgt:
Opbrengst
De onderzoeksperiode wordt gelijk gesteld aan de tenlastegelegde periode, namelijk 1 januari 2013 tot en met 30 maart 2014. Deze periode bestaat uit 545 dagen. Er zijn uit het onderzoek geen indicaties naar voren gekomen dat de veroordeelde gedurende deze periode voor langere tijd afwezig is geweest; Wel wordt er in het voordeel van de veroordeelde rekening mee gehouden dat hij mogelijk door ziekte en/of vakantie in deze periode meerdere dagen geen verdovende middelen heeft kunnen verhandelen. Derhalve wordt het totaal aantal dagen waarvan het aannemelijk is dat hij in deze-periode volledig heeft verhandeld gesteld op 530 dagen.
Naar aanleiding van de gegevens uit het onderzoek is vast te stellen dat er gedurende de onderzoeksperiode per dag gemiddeld 60 bestellingen zijn verhandeld. Blijkens het voorgaande zal de rechtbank ervan uitgaan dat er gedurende de hele onderzoeksperiode gemiddeld 2 bolletjes cocaïne per bestelling zijn verhandeld. Naar aanleiding van het onderzoek is voorts vast te stellen dat gedurende de hele onderzoeksperiode de gemiddelde verkoopprijs per bolletje cocaïne 10 euro bedroeg.
De opbrengst is dan:
Aantal verkochte bolletjes cocaïne per dag: 60 bestellingen x 2 bolletjes = 120 bolletjes cocaïne.
Aantal verkochte bolletjes cocaïne gedurende de hele onderzoeksperiode: 530 dagen x 120 bolletjes per dag = 63.600 bolletjes cocaïne
Totale opbrengst in de hele onderzoeksperiode: 63.600 bolletjes cocaïne x € 10,- per bolletje is in totaal € 636.000,=.
(…)
Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van de hiervoor vermelde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.(…)”
6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2018 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. Uit deze pleitnota volgt dat de raadsman, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het gebruik van de methode van extrapolatie in deze zaak niet gerechtvaardigd is, heeft betoogd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in 2013 schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Ook heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat de door het hof toegepaste correctie op het gemiddeld aantal bestellingen per dag te laag is.
7. In de aanvulling op de bestreden uitspraak heeft het hof, naast de bewijsmiddelen waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel steunt, nadere bewijsoverwegingen opgenomen. Deze houden, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnota - zakelijk weergegeven aangevoerd dat de door het Openbaar Ministerie gehanteerde methode van extrapolatie in de onderhavige zaak geen c.q. onvoldoende solide basis vormt voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman stelt dat de pijlers waarop het Openbaar Ministerie de berekening bouwt te onbetrouwbaar en niet representatief zijn voor de gehele bewezenverklaarde periode.
Zoals reeds in het arrest is vermeld volgt het hof het oordeel van de rechtbank en acht derhalve de methode van extrapolatie gerechtvaardigd. Omdat de veroordeelde geen verklaring heeft afgelegd, is gekeken naar andere gegevens. De telefoon die aan de veroordeelde wordt toegeschreven is gedurende twee weken getapt en over een periode van negen maanden zijn de historische gegevens opgevraagd. Daaruit blijkt van een dagelijkse handel in verdovende middelen. Ook getuigen hebben verklaringen afgelegd, waarin dit wordt bevestigd.
De raadsman heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitnota - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de pijlers waarop het openbaar ministerie de periode-component voor de berekening baseert, broos zijn te noemen. Overige aanwijzingen voor de gehanteerde periode zijn er niet of zijn zeer zwak dan wel summier, zoals bijvoorbeeld de CIE-melding, zo stelt de raadsman.