Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de geldigheid van een Pakistaanse huwelijksakte centraal in een echtscheidingsprocedure tussen een Pakistaanse man en vrouw. De man stelde dat de huwelijksakte vals was en betwistte daarmee het huwelijk dat in Pakistan zou zijn gesloten.
De zaak werd behandeld door de rechtbank Overijssel en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die beide uitspraken deden over de authenticiteit van het huwelijk en de huwelijksakte. De man stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof van 6 maart 2018.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de man niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd verworpen en de man werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten.