Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1241

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
18/01664
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:89 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zorgplicht financieel adviseur zaak

In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018, dat een geschil betrof over de zorgplicht van een financieel adviseur bij de verwerving van beleggingsproducten. Verweerster stelde een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk en mondeling toegelicht.

De Hoge Raad verwijst voor het geding in de lagere instanties naar eerdere vonnissen en arresten van de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De klachten van eiser in het cassatiemiddel worden door de Hoge Raad niet ontvankelijk verklaard, omdat zij geen rechtsvragen bevatten die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep komt daardoor niet aan de orde. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/01664
Datum19 juli 2019
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: [verweerster],
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/16/379355/HA ZA 14-814 van de rechtbank Midden-Nederland van 17 december 2014 en 15 juli 2015;
b. de arresten in de zaak 200.179.364 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2017 en 23 januari 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van het gerechtshof van 23 januari 2018 beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
 verwerpt het principale beroep;
 veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.707,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident E.J. Numann op
19 juli 2019.