Conclusie
Ram Properties)
1.De feiten
hof) van 31 juli 2018. [1]
pand). Met de verhuurder, de rechtsvoorgangster van Ram Properties, is [verweerder] bij het sluiten van de huurovereenkomst het volgende beding (hierna: het
voorkeursrecht) overeengekomen:
Joba) voor € 9.133.000,--. Op 24 januari 2007 heeft Joba het pand als onderdeel van vier panden doorverkocht aan [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]) voor € 2.808.000,--.
[betrokkene 2]), een beroep gedaan op het voorkeursrecht.
k.k.). [betrokkene 1] had het pand toen al voor dat bedrag verkocht aan Stadsdeel B.V. (hierna ook:
Stadsdeel).
2.Het procesverloop
kantonrechter) een comparitie van partijen bevolen. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Ten behoeve van de comparitie zijn door beide partijen spreekaantekeningen overgelegd.
[A])/ [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) komen evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu deze niet zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade. [verweerder] heeft onvoldoende onderbouwd wat deze adviezen behelsden en waarom die redelijkerwijs noodzakelijk waren om schadevergoeding te verkrijgen, alsmede waarom die kosten in de gegeven omstandigheden redelijk zijn. (rov. 21)
deskundige); welke vragen de deskundige dient te beantwoorden; dat het voorschot op de kosten van de deskundige € 8.000,-- exclusief btw bedraagt; en dat partijen ieder de helft van dit voorschot (€ 4.000,-- te vermeerderen met btw) dienen te betalen. De vragen die aan de deskundige worden voorgelegd, komen inhoudelijk overeen met de formulering in rov. 14 van het tussenvonnis van 23 april 2015 (zie ook onder 2.4 hiervoor). (rov. 8)
€ 210.000,-+
tussenvonnis) en het eindvonnis van de kantonrechter van 29 september 2016 (hierna: het
eindvonnis).
tussenarrest) heeft het hof een comparitie van partijen gelast. In het tussenarrest beoordeelt het hof ook reeds een aantal grieven van Ram Properties in het principale appel.
eindarrest). Het cassatieberoep strekt tot vernietiging van het eindarrest, met zodanige verdere beslissingen, mede met betrekking tot de proceskosten, als de Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren. [verweerder] heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep ingediend. [verweerder] concludeert tot verwerping van het principale cassatieberoep, met veroordeling van Ram Properties in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest. In het incidentele cassatieberoep vordert [verweerder] dat de Hoge Raad het eindarrest vernietigt, en verder beslist zoals hij passend acht, met veroordeling van Ram Properties in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest. Bij verweerschrift in het incidentele cassatieberoep concludeert Ram Properties tot verwerping van het incidentele cassatieberoep, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het arrest. Zowel Ram Properties als [verweerder] heeft schriftelijke toelichting gegeven. Ram Properties heeft gerepliceerd, [verweerder] heeft afgezien van dupliek.
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
Een ander uitgangspunt van het hof dat in cassatie niet wordt bestreden is dat de omvang van de schade (waarover dus art. 6:97 BW Pro) wordt berekend naar het moment waarop zij wordt geleden: het schademoment. [34] Het hof heeft het in dit kader over de “peildatum”, die door het hof is bepaald op 7 februari 2014 (rov. 2.18-2.20 eindarrest). Door de feitelijke situatie op de peildatum te vergelijken met de hypothetische situatie waarin [verweerder] op dat moment zou hebben verkeerd als de toerekenbare tekortkoming van Ram Properties niet had plaatsgevonden, heeft het hof de schadeomvang op die peildatum berekend. Van dit schademoment, deze “peildatum”, moet worden onderscheiden het later in de tijd gelegen moment waarop de uiteindelijke omvang van de schadevergoedingsplicht wordt vastgesteld, in welk kader bijvoorbeeld het leerstuk van art. 6:98 BW Pro (de leer der redelijke toerekening) toepassing kan vinden. Dit laatste tijdstip is het tijdstip waarop de rechter uitspraak doet, [35] in dit geval dus 20 augustus 2019. Van het schademoment en het moment waarop de uiteindelijke schadevergoedingsplicht wordt vastgesteld, kunnen voor de toepassing van art. 6:98 BW Pro nog andere, eerder in de tijd gelegen momenten worden onderscheiden. De aard van de aansprakelijkheid, uit onrechtmatige daad of uit wanprestatie, is ook relevant bij het beoordelen van, kort gezegd, de voorzienbaarheid van de schade in het kader van het toerekeningsverband van art. 6:98 BW Pro, welke objectieve factor daarbij een rol kan spelen. [36] Bij aansprakelijkheid op de grondslag van onrechtmatige daad draait het dan om de voorzienbaarheid ten tijde van de normschending, het moment van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW Pro rust. Bij aansprakelijkheid op de grondslag van een toerekenbare tekortkoming in de zin van art. 6:74 BW Pro wordt op grond van de leer van de redelijke toerekening de voorzienbaarheid eveneens beoordeeld naar het moment van de wanprestatie. [37] Het hof heeft de voorzienbaarheid in rov. 2.30 ook beoordeeld “ten tijde van de tekortkoming van Ram Properties in 2007”, daarmee dus geen blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting. Het moment waarop de voorzienbaarheid door het hof is beoordeeld, wordt in cassatie ook niet bestreden.
noodzakelijkwas. [49] Bij de tweede redelijkheidstoets kan de rechter de redelijke omvang van de kosten mede aan de hand van art. 6:97 BW Pro begroten. [50]
WAARVAN AKTE!Bij elkaar komt het schadebedrag op € 133.707,41. Als
productie 18worden de declaraties over de periode februari 2007 tot en met juli 2014 overgelegd. [verweerder] behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om ten aanzien van deze schadepost te verhogen met de nota’s vanaf augustus 2014.”
€ 377.631,65.”
€ 6.755,23
nietin de schadevergoeding betrokken kosten van het voeren van de procedures tegen JoBa en [betrokkene 1] ” [cursivering toegevoegd, A-G]. Dat is immers niet wat het hof doet. In rov. 2.34 van het eindarrest (onderdeel van het eindarrest waarin het hof, onder het kopje “
Specifieke schadeposten”, enkele grieven van [verweerder] tegen de afwijzing door de kantonrechter van “enkele losstaande schadeposten” bespreekt) oordeelt het hof, kort gezegd, dat grief 3 in het incidentele appel van [verweerder] (waarover rov. 2.33) tevergeefs is voorgesteld, met dien verstande dat het hof het echter wel redelijk acht deze procedurekosten “bij de berekening van de schade” te betrekken voor zover die procedures tot betalingen hebben geleid die de geleden schade hebben verminderd, dus voor een (totaal)bedrag van € 89.255,-- (het hof verwijst naar “de hierna onder 2.39 te behandelen bedragen van € 62.500,--, € 20.000,-- en € 6.755,--"). In zoverre, met dit ‘mindere’, heeft [verweerder] dus wel baat bij deze grief (zie ook rov. 2.39, waar het hof mede verwijst naar “de hiervoor onder 2.34 in aanmerking genomen kosten van de procedures”). Uit het oordeel in rov. 2.34 volgt dus dat voor een (totaal)bedrag van € 89.255,-- die procedurekosten wél bij de berekening van de schade ex art. 6:97 BW Pro worden betrokken door het hof, en dat de in rov. 2.39 bedoelde (en ook in rov. 2.34 genoemde) door [verweerder] ontvangen bedragen waarmee de geleden schade is verminderd, wegvallen tegenover die in rov. 2.34 aldus door het hof in aanmerking genomen procedurekosten (zie ook rov. 2.43 en het dictum voor de aansluiting bij het in rov. 2.31 genoemde bedrag van € 365.620,-- van door Ram Properties aan [verweerder] te betalen schadevergoeding, alsmede onder 3.3 hiervoor).
(productie 20)[overgelegd]. [verweerder] meent dat deze kosten redelijk zijn.”
productie 26legt [verweerder] de nota’s over die door [A] B.V. aan hem zijn gezonden in de periode 2007 tot en met 2016. Het gaat om een bedrag van € 63.402,38 exclusief BTW. Vanwege de 50% regeling maakt [verweerder] aanspraak op een bedrag van 126.804,76 exclusief BTW.
de procedure tegen de verhuurder”. Het gaat om jaarfacturen zonder enige specificatie, opgesteld vanaf 2007 tot en met 2016.
28. Indien gewenst kan [betrokkene 3] aangeven waaruit zijn werkzaamheden bestonden.”
Ik versta het oordeel van het hof zo - de door het hof gebruikte formulering “[u]it het op dit punt door Ram Properties gevoerde verweer leidt het hof af (…)” duidt daar ook op - dat het hof ambtshalve de rechtsgronden heeft aangevuld (art. 25 Rv Pro). In algemene zin geldt in verband met art. 25 Rv Pro het volgende: [153]
- causaal verband en toerekening;
(...)